rul-20260728-atr-000003

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.

Feiten

X1, X2, X3 en X4 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk gevestigd in Nederland. Zij behoren tot een internationaal opererend concern dat actief is in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers.

X1 houdt zowel binnenlandse als buitenlandse deelnemingen. X1 heeft personeel in Nederland dat zowel werkt voor rekening en risico van X1 als voor X2, X3 en X4, heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor aansturing van haar deelnemingen en is in dat kader mede verantwoordelijk voor strategische beslissingen.

Het concern waartoe X1, X2, X3 en X4 behoren ondergaat een reorganisatie. Slechts de voor zekerheid vooraf relevante vennootschapen worden hieronder beschreven.

Voorafgaand aan de reorganisatie

Voorafgaand aan de reorganisatie werd X1 rechtstreeks gehouden door Z. Z hield eveneens via Y1 de aandelen in X3. Y1 is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland 1). Z is een vennootschap eveneens opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 1 en is aldaar beursgenoteerd. Z is het hoofdkantoor van de groep en drijft een materiële onderneming in verdragsland 1.

X1 hield onder andere de aandelen in X4. X4 hield alle aandelen in X2. X1 hield eveneens de aandelen van A1 t/m A12. A1 t/m A12 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in diverse landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Zij houden ofwel (indirect) operationele deelnemingen ofwel drijven zelf een materiële onderneming. X2 hield via diverse transparante samenwerkingsverbanden een deelneming in A13. A13 is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten.

Reorganisatie

Bij de reorganisatie worden door middel van verschillende stappen drie verschillende staken gecreëerd. Enkel bij staak 1 en 2 zijn Nederlandse vennootschappen betrokken. De stappen

betreffen onder andere een overdracht van A1 t/m A12 door X1 aan enkele buitenlandse groepsvennootschappen en de overdracht van A13 door X2 aan een buitenlandse groepsvennootschap. Verder omvatten de stappen diverse uitkeringen van X1 aan Z en van X4 aan Z aangezien op een bepaald moment tijdens de reorganisatie Z rechtstreeks de aandelen van X4 houdt.

Na de reorganisatie

Staak 1:

Na de reorganisatie wordt X1 gehouden door Y2. Y2 is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland 2). Y2 wordt gehouden door Y1. Zoals hiervoor al is opgemerkt, is Y1 een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 1. Y1 wordt gehouden door Z.

Staak 2:

Na de reorganisatie wordt X3 gehouden door Y3. Y3 is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd verdragsland 2. Zij wordt direct gehouden door Z. X3 houdt alle aandelen in X4.

Verdragsland 1 en verdragsland 2 zijn niet opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Y1, Y2, Y3 en Z hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Y1 en Z zijn in verdragsland 1 onderworpen aan een winstbelasting en Y2 en Y3 zijn in verdragsland 2 onderworpen aan een winstbelasting.

Y2, Y3 , A1 t/m A10 en A13 hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van Y2, Y3, A1 t/m A10 en A13 zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Zoals in de toelichting bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen opgenomen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Dit rechtsvermoeden geeft voldoende duidelijkheid om zekerheid vooraf te verstrekken. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

De rechtsvormen van A11, A12, Y1 en Z komen niet voor op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van A11, A12, Y1 en Z zijn beoordeeld door de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen. In gepubliceerde standpunten komt de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen tot de conclusie dat de rechtsvormen van A11, A12, Y1 en Z vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).

Er zijn geen in het buitenland wonende natuurlijke personen met een direct of indirect belang van 5% of meer in de verschillende Nederlandse vennootschappen.

Rechtskader

Het verzoek van X1 en X2 om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.

Tevens ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat Z niet buitenlands belastingplichtig is voor haar belang in X1 en X4, Y2 niet belastingplichtig is voor haar belang in X1 en Y3 niet belastingplichtig is voor haar belang in X3 als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.

Het verzoek ziet eveneens op zekerheid vooraf over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021, zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd door Z voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van haar belang in X1 en X4 en door Y2 en Y3 voor hun belangen in X1 respectievelijk X3.

Tot slot ziet het verzoek op zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor uitkeringen van X1 aan Z, van X4 aan Z, van X1 aan Y2 en van X3 aan Y3.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X1, X2, X3 en X4 uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X1, X2, X3 en X4 binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Deelnemingsvrijstelling

3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X1 in A1 t/m A12 en van X2 in A 13. X1 en X2 houden meer dan 5% van de aandelen in A1 t/m A13. Zoals in de feiten is opgemerkt komen de rechtsvormen van A1 t/m A10 en A13 voor op de bijlage bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen als vergelijkbaar met een Nederlandse kapitaalvennootschap. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van

het rechtsvermoeden. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wetswijziging in het buitenland is geen sprake. Zoals in de feiten vermeldt, zijn de rechtsvormen van A11 en A12 door de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen gekwalificeerd als vergelijkbaar met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Als gevolg van het voorstaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb ten aanzien van A1 t/m A13.

4. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de oogmerktoets en A1 t/m A13 derhalve niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. A1 t/m A13 zijn operationele vennootschappen dan wel houden zij belangen in operationele deelnemingen. Zij verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel dan wel schakelen tussen de bedrijfsmatige activiteiten van het concern en de activiteiten van hun deelnemingen. A1 t/m A13 worden aldus door X1 en X2 niet als belegging gehouden. Om deze reden is voor A1 t/m A13 voldaan aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.

5. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van de belangen van X1 in A1 t/m A12 en van X2 in A13.

Buitenlandse belastingplicht

6. Tijdens de reorganisatie kan Z mogelijk buitenlands belastingplichtig zijn naar aanleiding van haar belang in X1 en X4 op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Ditzelfde geldt na de reorganisatie voor Y2 voor haar belang in X1 en voor Y3 voor haar belang in X3. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige, in dit geval Z, Y2 en Y3, het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (“objectieve toets”). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de aanwezigheid van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.

7. In het gegeven geval zijn er uiteindelijk geen natuurlijke personen die een (indirect) belang van meer dan 5% houden in X1, X3 of X4. Dit betekent dat er geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting in het kader van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. De objectieve toets hoeft niet meer te worden toegepast.

8. Z is naar aanleiding van haar belang in X1 en X4 en Y2 en Y3 naar aanleiding van hun belangen in X1 en X3 niet buitenlands belastingplichtig, zoals bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.

Conditionele bronbelasting op dividenden

9. Er is beoordeeld of sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Eerst is gekeken naar het begrippenkader van artikel 1.2 van de Wet BB. Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 1, is tijdens de reorganisatie enig aandeelhouder van X1 en X4. Na de reorganisatie zijn Y2 en Y3 enig

aandeelhouder van X1 respectievelijk X3. Y2 en Y3 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland 2. Z, Y2 en Y3 genieten voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belangen in X1, X3 en X4. Zij kwalificeren als aan Z, Y2 en Y3, de voordeelgerechtigden, gelieerde inhoudingsplichtigen.

10. Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Verdragsland 1 en 2 zijn geen laagbelastende jurisdicties. Omdat Z, Y2 en Y3 zijn gevestigd in verdragsland 1 respectievelijk 2, zijn zij niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belangen in X1, X3 en X4 op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB.

11. Z, Y2 en Y3 hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en zijn derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.

12. Beoordeeld is vervolgens of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – Z, Y2 of Y3 gevestigd zijn in een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, en gerechtigd zijn tot de dividenden uit hoofde van hun belang X1, X3 of X4 met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).

13. Tijdens de reorganisatie houdt Z rechtstreeks een belang in X1 en X4. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, of reeks van constructies of samenstel van transacties. Z is het hoofdkantoor van het concern en drijft een materiële onderneming. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.

14. Na de reorganisatie wordt X1 gehouden door Y2 en X3 gehouden door Y3. Y2 en Y3 worden (in)direct gehouden door Z. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Y2 en Y3 hun belangen houden met als hoofddoel om Nederlandse belasting te ontgaan. Hiervoor wordt de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – toegepast. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat indien de situatie zonder tussenkomst van de tussenschakel(s) zou leiden tot een hogere Nederlandse bronbelastingclaim, dit een aanwijzing is dat er sprake is van een constructie die ertoe strekt om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets). Als we de lege tussenschakels Y1, Y2 en Y3 wegdenken, worden X1 en X3 rechtstreeks gehouden door Z. In dat geval zou er ook geen bronbelasting verschuldigd zijn, zie overweging 13.

15. Dit betekent dat er op grond van de uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van belasting en er derhalve geen sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB. Toepassing van de objectieve toets is derhalve niet meer aan de orde. Aangezien de voordeelgerechtigden in geen van de betrokken landen als transparante vennootschappen worden gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen d en e van de Wet BB.

Inhoudingsvrijstelling

16. Tijdens de reorganisatie worden X1 en X4 rechtstreeks gehouden door Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag

heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie (EU) of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER). Z, de opbrengstgerechtigde, houdt op het moment van uitkeren een belang in X1 en X4 waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.

17. Aangezien de opbrengstgerechtigde in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.

18. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid onderdelen a en b van de Wet DB van toepassing zijn. Z wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.

19. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).

20. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of er ten aanzien van Z sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt wanneer er in ieder geval geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is in ieder geval geen sprake van een kunstmatige constructie indien sprake is van een van de volgende situaties: a) de directe aandeelhouder drijft een materiële onderneming (waaronder bijvoorbeeld een tophoudster) en het belang in het Nederlandse lichaam kan functioneel tot zijn ondernemingsvermogen worden gerekend; of b) de directe aandeelhouder heeft geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (artikel 1bis Uitv.besch. DB). Ingeval sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in artikel 1bis Uitv.besch. DB kan de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken dat alsnog sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB.

21. Z is het hoofdkantoor van het concern en drijft een materiële onderneming. De aandelen van X1 en X4 kunnen worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen van Z. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van een kunstmatige constructie en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling. In het gegeven geval is geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.

22. Na de reorganisatie wordt X1 gehouden door Y2 en X3 gehouden door Y3. Y2 en Y3 worden (in)direct gehouden door Z. Y2 en Y3 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER. Y2 en Y3, de opbrengstgerechtigden, houden op het moment van uitkeren een belang in X1 respectievelijk X3 waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.

23. Aangezien de opbrengstgerechtigden in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.

24. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid onderdelen a en b van de Wet DB van toepassing zijn. Y2 en Y3 worden niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervullen ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.

25. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).

26. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Y2 en Y3 hun belangen in X1 respectievelijk X3 houden met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. Y2 en Y3 worden gehouden door Z, een vennootschap die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER. De tussenliggende vennootschappen worden als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijven. Bij uitkeringen van X1 en X3 aan Z zou – indien Z de belangen in X1 en X3 direct had gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven, zie ook overwegingen 16 t/m 21. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling. Toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.

Conclusie

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X1 in A1 t/m A12 en van X2 in A13.

Z is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb voor haar belang in X1 en X4. Y2 en Y3 zijn niet buitenlands belastingplichtig voor hun belangen in X1 respectievelijk X3 als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.

Z is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde haar belangen in X1 en X4 en Y2 en Y3 zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde hun belangen in X1 respectievelijk X3 op grond van artikel 2.1 van de Wet BB.

Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X1 aan Z, van X4 aan Z, van X1 aan Y2 en van X3 aan Y3 geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de

opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X1, X3 en X4 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *