Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X1 is een coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X2, X3, X4 en X5 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X1, X2, X3, X4 en X5 worden hierna gezamenlijk aangeduid als X1 – X5. X1 – X5 behoren tot een internationaal concern dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden bedrijfseconomische, operationele activiteiten uitgeoefend door X1 – X5 en de in Nederland tot het concern behorende vennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [1 – 10] werknemers.
Het concern investeert in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel in Nederland beschikt over professionele kennis en ervaring en is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen alsmede de daarmee samenhangende strategische besluitvorming. X1 – X5 vervullen een houdsterfunctie en zijn actief betrokken bij het aansturen van hun (in)directe deelnemingen.
X1 houdt de aandelen in X2. X1 en X2 houden indirect, via een drietal gestapelde samenwerkingsverbanden (Y1, Y2 en Y3), het volledige belang in A. A is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (land 1).Het volledige belang in Y1 wordt gehouden door X1 en X2. In ieder tussenliggend samenwerkingsverband (Y2 en Y3) neemt, naast het “bovenliggende” samenwerkingsverband, ook direct X2 deel. Het belang van X2 in de respectievelijke samenwerkingsverbanden geeft geen recht op economische voordelen zoals dividend. De samenwerkingsverbanden (Y1, Y2 en Y3) zijn aangegaan naar het recht van en feitelijk gevestigd in land 1.
Daarnaast houdt X1 de aandelen in X3 en op haar beurt houdt X3 de aandelen in X4. X3 en X4 houden indirect, via Y4 – een samenwerkingsverband aangegaan naar het recht van en feitelijk gevestigd in land 1 – het volledige belang in B. X4 houdt een belang in B dat kleiner is dan 5%. B is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (land 2).
X1 houdt indirect de aandelen in X5. X5 houdt een aandelenbelang in C. C is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (land 3).
Via X1 – X5 oefent het concern invloed uit op A, B en C en hun (in)directe deelnemingen. Werknemers van het concern in land 1 zijn mede verantwoordelijk voor deze aansturing. A, B en C
zijn houdstervennootschappen die (een) (in)direct belang(en) houden in operationele vennootschappen.
A, B en C hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Deze rechtsvormen zijn daarin opgenomen als buitenlandse rechtsvormen waarvoor het rechtsvermoeden geldt dat zij vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Y1, Y2, Y3, en Y4 (hierna: “Y1 – Y4”) hebben eveneens een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van Y1 – Y4 zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden geldt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake. Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan dat Y1 – Y4 naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant zijn.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf betreft de toepassing van de deelnemingsvrijstelling (artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)) op de belangen van X1, X3, X4 en X5 in A, B en C. Er dient te worden voldaan aan de eisen van artikel 13, tweede lid, van de Wet Vpb, en er mag geen sprake zijn van een als belegging gehouden deelneming zoals bedoeld in artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X1 – X5 uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X1 – X5 binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. De rechtsvormen van A, B en C zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen allen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een relevante wijziging in het
buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Zoals opgenomen onder de feiten is van een relevante wijziging van het buitenlandse recht geen sprake. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Met inachtneming van het vorenstaande is er beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op de belangen van X1 (via de transparante samenwerkingsverbanden Y1, Y2 en Y3) in A, de belangen van X3 (via het transparante samenwerkingsverband Y4) en X4 (via het transparante samenwerkingsverband Y4) in B en het belang van X5 in C.
4. X1 houdt meer dan 5% van de aandelen in A. X3 houdt meer dan 5% van de aandelen in B en X4 houdt minder dan 5% van de aandelen in B. Het belang dat kleiner is dan 5% wordt op grond van artikel 13, vijfde lid, van de Wet Vpb aangemerkt als een deelneming (meetrekregeling). X5 houdt meer dan 5% van de aandelen in C. Er wordt voldaan aan de eisen voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wet Vpb.
5. Vervolgens is beoordeeld of ten aanzien van A, B en C wordt voldaan aan de oogmerktoets, zodat geen sprake is van een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb. A, B en C leggen een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de uiteindelijke moedermaatschappij in land 1 en de activiteiten van de (klein)dochtermaatschappijen. A, B en C worden aldus niet als belegging gehouden. Daarmee wordt voldaan aan de oogmerktoets.
6. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid, van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ten aanzien van deelnemingen in A, B en C.
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing ten aanzien van de belangen van:
1. X1 in A;
2. X3 en X4 in B;
3. X5 in C.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 13 november 2025 tot en met 31 december 2029.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie