Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2023.
Feiten
X1 en X2 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X1 en X2 behoren tot een internationaal opererend concern in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [76 – 150] werknemers.
X1 en X2 treden op als houdstervennootschappen. X1 houdt – via buitenlandse deelnemingen – het belang in X2. X1 en X2 zijn actief betrokken bij het aansturen van hun (in)directe deelnemingen.
X1 en X2 houden diverse (in)directe deelnemingen, zowel binnen als buiten de Europese Unie. Een aantal deelnemingen houdt zich bezig met operationele activiteiten die in het verlengde liggen met de activiteiten van het concern als geheel (deelnemingen A). Een aantal deelnemingen hebben een gemengd oogmerk of houden vrijwel alleen (intra groep) vorderingen aan (deelnemingen B). De deelnemingen A en deelnemingen B worden hierna gezamenlijk aangeduid als de deelnemingen.
De deelnemingen zijn rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van vrijwel alle deelnemingen (op één deelneming na) zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). De rechtsvorm van één deelneming is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm niet-vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm. Aangezien het een niet-vergelijkbaar buitenlands lichaam betreft dat niet in Nederland is gevestigd, wordt het buitenlandse lichaam voor Nederlandse fiscale doeleinden als niet-transparant aangemerkt indien dat buitenlandse lichaam volgens de fiscale regelgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt zelfstandig belastingplichtig is (symmetrische methode). In het geval van die deelneming is hier sprake van. Dit betekent dat die deelneming naar Nederlandse fiscale maatstaven als niet-transparant heeft te gelden. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Rechtskader
Het verzoek van X1 en X2 om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X1 en X2 uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X1 en X2 binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X1 en X2 in de deelnemingen. X1 en X2 houden meer dan 5% van de aandelen in de deelnemingen.
4. De deelnemingen hebben een rechtsvorm die vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap op grond van het besluit van 11 december 2009, nr. CPP2009/519M (Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden), zodat de deelnemingen kwalificeren als niet- transparante entiteit. Derhalve wordt voor het jaar 2024 voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
5. Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen dat uitvoering geeft aan de in (onder andere) artikel 1a van de Wet Vpb (wettekst met ingang van 1 januari 2025) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode. In de feiten is opgemerkt dat de rechtsvormen van vrijwel alle deelnemingen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Voor de niet- vergelijkbare rechtsvorm kan op grond van de symmetrische methode worden aangenomen dat deze deelneming als niet-transparant heeft te gelden, aangezien deze deelneming is gevestigd in het desbetreffende land is gevestigd. Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van zekerheid vooraf wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb ten aanzien van de deelnemingen.
6. Vervolgens is beoordeeld of de deelnemingen voldoen aan de oogmerktoets en derhalve niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
7. Op basis van de parlementaire geschiedenis wordt aan deze toets voldaan indien een
deelneming een materiële onderneming drijft en de ondernemingsactiviteiten van deze deelneming overeenkomen met de activiteiten van de groep in haar geheel. De activiteiten van de operationele deelnemingen liggen in het verlengde van de activiteiten van het concern als geheel. Het oogmerk van het houden van de operationele deelnemingen is om een hoger rendement te behalen dan wat bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Om deze reden is voor de deelnemingen A aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, voldaan.
8. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing op deelnemingen A, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van X1 en X2 in deelnemingen A.
9. Bij deelnemingen B is sprake van een gemengd oogmerk, omdat er naast ondernemingsactiviteiten ook enkele terbeschikkingstellings- en/of financieringsactiviteiten in de zin van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb worden verricht door deelnemingen B en eventueel (in)directe deelnemingen. Er is beoordeeld of ten aanzien van deze deelnemingen sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de bezittingen, onmiddellijk of middellijk, van de houdsterdeelneming niet doorgaans voor meer dan de helft bestaat uit laagbelaste vrije beleggingen (“bezittingentoets”). Om deze toets te kunnen maken is een toerekeningsbalans opgesteld waarop alle bezittingen van de houdsterdeelneming en diens dochtermaatschappij is opgenomen. De basis voor deze toerekeningsbalans zijn de bezittingen zoals opgenomen in de commerciële jaarrekeningen. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is eveneens sprake als de betreffende deelnemingen desalniettemin zijn onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Dit het geval als de deelneming wordt onderworpen aan een heffing van tenminste 10% belasting naar de winst, zonder relevante stelselafwijkingen (“onderworpenheidstoets”).
10. Op basis van de bezittingentoets of onderworpenheidstoets is vastgesteld dat bij de deelnemingen B geen sprake is van beleggingsdeelnemingen. De deelnemingen B zijn aan te merken als kwalificerende beleggingsdeelnemingen. Dit betekent dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de voordelen die X1 en X2 verkrijgen vanuit de deelnemingen B op basis van de bezittingentoets of onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb.
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de voordelen die X1 en X2 verkrijgen vanuit de deelnemingen A op basis van de oogmerktoets van artikel 13, negende lid en tiende lid van de Wet Vpb, en op de voordelen die X1 en X2 verkrijgen vanuit deelnemingen B op basis van de bezittingentoets dan wel onderworpenheidstoets van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie