rul- 20260707-rulov-000007

Aanleiding

X heeft verzocht om zekerheid vooraf dat zij kwalificeert als verdragsinwoner van een andere staat op grond van het relevante belastingverdrag tussen Nederland en die andere staat. Daarnaast heeft X verzocht om zekerheid vooraf over de gevolgen voor de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) ter zake van toekomstige dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030.

Feiten

X is tophoudster van een beursgenoteerd concern dat wereldwijd actief is in de industriële sector met operationele activiteiten binnen en buiten Nederland. X is naar Nederlands recht opgericht. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [301 – 500] werknemers.

Vanaf haar oprichting houdt X kantoor in een staat van de Europese Unie (verdragsland A) waar het concern ook operationele activiteiten verricht.

Het bestuur van X oefent haar leidinggevende taken uit vanuit verdragsland A en beslissingen van de leiding worden aldaar genomen. De gehele boekhouding wordt ook gevoerd in verdragsland A. X wordt gezien als inwoner van verdragsland A door verdragsland A. X is onderworpen aan winstbelasting en tevens inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting onder de wetgeving van verdragsland A.

X heeft als beursvennootschap geen volledig zicht op de samenstelling van haar aandeelhoudersbestand.

.

Rechtskader

X is op grond van artikel 2, vijfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en artikel 1, derde lid, van de Wet DB in Nederland gevestigd en voor wat betreft (dividend)uitkeringen inhoudingsplichtig voor de Nederlandse dividendbelasting. Het verzoek richt zich op de vraag of X op grond van het van toepassing zijnde belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A aangemerkt kan worden als inwoner van verdragsland A. Daarnaast richt het verzoek zich, op grond van een bepaling in het belastingverdrag conform artikel 10, vijfde lid, OESO Modelverdrag, op de gevolgen voor de Wet DB ter zake van toekomstige dividenden.

Relevant is hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Voorts is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1

1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegangtot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, indien de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is. Het concern waartoe X behoort oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit. Het feit dat X als zelfstandig verzoekend lichaam niet beschikt over economische nexus in Nederland staat in dit specifieke geval het vooroverleg niet in de weg nu dat passend is bij de aard van de gevraagde zekerheid.

2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.

3. De gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

4. X wordt door haar oprichting naar Nederlands recht op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Wet Vpb geacht in Nederland gevestigd te zijn en is daardoor in beginsel binnenlands belastingplichtig voor de Wet Vpb. X heeft aangetoond dat zij ook als inwoner wordt aangemerkt door verdragsland A. Op grond van artikel 4 van het belastingverdrag dient dan gekeken te worden waar de plaats van de werkelijke leiding van X gelegen is om te bepalen van welke staat X verdragsinwoner is (corporate tie breaker). X heeft aangetoond op basis van de feiten dat haar werkelijke leiding ligt in verdragsland A.

5. Op grond van de vestigingsplaatsfictie van artikel 1, derde lid, van de Wet DB in combinatie met artikel 1, eerste lid van de Wet DB, is X inhoudingsplichtig voor de dividendbelasting. Op grond van het belastingverdrag wordt Nederland niet beperkt in haar heffingsrecht over dividenden uitgekeerd aan de aandeelhouders van X die inwoner zijn van Nederland. Nederland wordt echter wel beperkt in het heffingsrecht voor zover de dividenden worden betaald aan aandeelhouders die geen inwoner van Nederland zijn en deze aandeelhouders geen vaste inrichting in Nederland hebben waaraan de aandelen zijn toe te rekenen.

6. Omdat X als beursvennootschap geen volledig zicht heeft op haar aandeelhoudersbestand, en dus niet van al haar aandeelhouders weet in welk land zij inwoner zijn, maakt X kort vóór elke terbeschikkingstelling van een opbrengst in de zin van artikel 3 van de Wet DB, een benadering van haar aandeelhoudersbestand dat is toe te rekenen aan inwoners van Nederland. Hierbij wordt hulp ingeschakeld van een externe partij met expertise op dit vlak. Deze benaderingsmethodiek is een overeengekomen invulling van de vrije bewijsleer. X zal op grond van artikel 6 van de Wet DB de opbrengst die voortvloeit uit toepassing van

20260707 RULOV 000007 Paginanummer 2 van 3 de uitkomst van de benaderingsmethodiek bruteren met uitzondering van de Nederlandse aandeelhouders van wie de identiteit is vastgesteld en ten aanzien van wie de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, eerste lid of van artikel 4a van de Wet DB kan worden toegepast. De dividendbelasting die over deze gebruteerde opbrengst verschuldigd is, zal worden afgedragen aan de Nederlandse belastingdienst.

Conclusie

X is inwoner van verdragsland A op grond van artikel 4 van het van toepassing zijnde belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A. X blijft inhoudingsplichtig voor de Wet DB. Een benaderingsmethodiek van de aandelen van het aandeelhoudersbestand dat is toe te rekenen aan inwoners van Nederland is overeengekomen. Een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *