rul-20260707-atr-000008

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. X behoort tot een Nederlands concern met een hoofdkantoor in Nederland, dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [76 – 150] werknemers.

De commanditaire vennoten van X zijn gevestigd in verschillende landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten. De beherend vennoot van X is een besloten vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en ook feitelijk in Nederland gevestigd. Het kapitaal van X zal worden gebruikt om additioneel geld te verstrekken aan een portfoliovennootschap die reeds eerder is gekocht door één van de actieve fondsen van het concern. X stort het opgehaalde geld in de betreffende portfoliovennootschap in ruil voor een aandelenbelang. X oefent geen activiteiten uit in Nederland ten behoeve van het belang in de portfoliovennootschap. X drijft geen onderneming.

Deelname in X vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid. In de overeenkomst is bepaald dat de bewijzen van deelgerechtigdheid in X alleen kunnen worden vervreemd aan X zelf.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van de commanditaire vennootschap. Relevant hierbij is de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, artikel 2, vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB), het Fondsenbesluit en het Fondsenbesluit 2025.

Het verzoek ziet daarnaast op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat de niet in Nederland gevestigde commanditaire vennoten van X niet buitenlands belastingplichtig zijn als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. De groep oefent in Nederland relevante operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van dit lichaam binnen de groep. 2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. 3. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, transparant. Van deze kwalificatie wordt afgeweken indien de commanditaire vennootschap vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB. 4. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient X te voldoen aan de vereisten van artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit en het Fondsenbesluit 2025 relevant zijn. Er kan slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Eén van de vereisten om te kwalificeren als een fonds voor gemene rekening is dat sprake moet zijn van bewijzen van deelgerechtigdheid die 'verhandelbaar' zijn. Zoals in de feiten is opgemerkt, is in het gegeven geval geen sprake van 'verhandelbaarheid' in de zin van onderdeel 5.1 en onderdeel 5 van respectievelijk het Fondsenbesluit en het Fondsenbesluit 2025. Dit betekent dat X niet heeft te gelden als een fonds voor gemene rekening. Aan de drie vereisten (een (i) afgescheiden vermogen dat (ii) belegt voor (iii) gemene rekening) om aangemerkt te worden als transparant fonds in de zin van artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB wordt wel voldaan 5. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat X voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet wordt aangemerkt als een transparant fonds. 6. De buitenlandse commanditaire vennoten houden een belang in X en kunnen mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig worden. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. De buitenlandse commanditaire vennoten hebben geen aanwezigheid of een vaste vertegenwoordiger in Nederland en om deze reden kan bevestigd worden dat de buitenlandse commanditaire vennoten geen vaste inrichting of vaste vertegenwoordiging hebben in Nederland. 7. Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. Beoordeeld is of de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten met betrekking tot hun belang in X voldoen aan deze uitbreidingen. In het gegeven geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.

Conclusie

X is voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant.

De in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten in X drijven geen onderneming in Nederland door middel van een vaste inrichting met betrekking tot hun belang in X.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 26 november 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *