Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting en de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X1 en X2 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X1 en X2 behoren tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [151 – 300] werknemers.
X2 treedt op als houdstervennootschap en houdt aandelen in verschillende vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in landen binnen de Europese Unie (de relevante deelnemingen). X2 is actief betrokken bij het aansturen van haar (in)directe deelnemingen.
De activiteiten van de relevante deelnemingen liggen in het verlengde van de werkzaamheden van het concern in haar geheel.
Y1 en Y2, de directe aandeelhouders van X1 en respectievelijk X2, zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland A).
De aandelen in Y1 en Y2 zijn indirect in handen van één aandeelhouder, Z. Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland B). Z drijft in verdragsland B een materiële onderneming en is actief in de aansturing van het concern.
Y1, Y2 en de relevante deelnemingen zijn rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van Y1, Y2 en de relevante deelnemingen zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Rechtskader
Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging
gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Men verzoekt tevens om zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor uitkeringen van X1 aan Y1 en X2 aan Y2.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X2 in de relevante deelnemingen. X2 houdt meer dan 5% van de aandelen in de relevante deelnemingen. In de feiten is opgemerkt dat de rechtsvormen van de relevante deelnemingen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van zekerheid vooraf wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb ten aanzien van de relevante deelnemingen.
4. Vervolgens is beoordeeld of wordt voldaan aan de oogmerktoets en de relevante deelnemingen derhalve niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. De relevante deelnemingen van X2 zijn operationele deelnemingen. Zij verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel. X2 schakelt tussen de bedrijfsmatige activiteiten van het concern en de activiteiten van de kleindochtermaatschappij(en), in casu de relevante deelnemingen. Om deze reden is voor de relevante deelnemingen aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, voldaan.
5. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van X2 in de relevante deelnemingen.
6. X1 en X2 worden gehouden door respectievelijk Y1 en Y2, vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in een staat binnen de Europese Unie (EU). Y1 en Y2, de
opbrengstgerechtigden, houden op het moment van uitkeren een belang in X1 en X2 waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigden in Nederland zouden zijn gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
7. Aangezien de opbrengstgerechtigden in geen van de betrokken landen als transparante vennootschappen worden gezien, is geen sprake van hybride vennootschappen en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.
8. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van de Wet DB van toepassing zijn. Y1 en Y2 worden niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervullen ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
9. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
10. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Y1 en Y2 het belang in X1 en X2 houden met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. De tussenliggende vennootschappen worden als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijven. Y1 en Y2 worden indirect gehouden door Z, een vennootschap die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Bij uitkeringen van X1 en X2 aan Z zou – indien Z het belang in X1 en X2 direct had gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling.
11. Toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van X2 in de relevante deelnemingen.
Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X1 en X2 aan respectievelijk Y1 en Y2 geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X1 of X2 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 17 november 2025 tot en met 31 december 2029.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie