Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over de vraag of sprake is van een concerndienst voor groepsmaatschappijen dan wel van een activiteit die als aandeelhouder wordt verricht als bedoeld in paragraaf 6 van het Verrekenprijsbesluit 2022. Het verzoek ziet op de boekjaren 2025 tot en met 2029. Er is een vaststellingsovereenkomst opgemaakt zonder betrokkenheid van het College Internationale Fiscale Zekerheid. Nadat dit is onderkend heeft alsnog uitwisseling plaatsgevonden en is deze samenvatting opgesteld.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en maakt onderdeel van de Y-groep. De Y-groep houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van bepaalde producten. Y is een vennootschap gevestigd buiten de Europese Unie (EU) en is het hoofdkantoor van de Y-groep.
X is als regionale principaal verantwoordelijk voor de regio Europa. Als regionale principaal voert X belangrijke strategische functies uit op het gebied van onder meer productontwikkeling, productie, verkoop en marketing. In Nederland worden, door de tot het concern behorende vennootschappen, activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers.
Tevens onderdeel van de Y-groep zijn de regionale principalen A en B, vennootschappen die zijn gevestigd buiten de EU, en diverse (project)vennootschappen die zowel binnen als buiten de EU zijn gevestigd.
In het kader van haar rol als regionale principaal maakt X diverse kosten op het gebied van onder meer onderzoek en ontwikkeling (R&D), projectgerelateerde kosten en kosten die betrekking hebben op de eigen governance- en compliance-activiteiten van X. Daarnaast levert X bepaalde (juridische) diensten ten behoeve van Y als tophoudster van de Y-groep.
X verzoekt zekerheid vooraf omtrent de classificatie van bepaalde kosten als concerndiensten aan Y, A, B of de buitenlandse (project)vennootschappen dan wel als aandeelhouderskosten of eigen (fundamentele) R&D-kosten. Er is geen zekerheid gevraagd over de at arm's-length beprijzing van de door te belasten concerndiensten.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vraag of sprake is van een concerndienst voor groepsmaatschappijen, eigen R&D-kosten, dan wel van een activiteit die als aandeelhouder wordt verricht als bedoeld in paragraaf 6 van het Verrekenprijsbesluit. Het arm’s- lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO- modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax
Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. In paragraaf 6 van het Verrekenprijsbesluit 2022 en hoofdstuk 7 van de OESO-richtlijnen is uitgewerkt dat sprake is van een concerndienst als ten behoeve van een groepsonderdeel een activiteit wordt verricht die daaraan economische of commerciële waarde toevoegt en waarvoor dat groepsonderdeel normaliter bereid zou zijn te betalen. Het gaat daarbij niet om activiteiten die in de hoedanigheid van aandeelhouder worden verricht. Aandeelhoudersactiviteiten worden niet aangemerkt als concerndiensten voor zover ze geen economische of commerciële waarde toevoegen ten behoeve van concernonderdelen en voor zover een groepsonderdeel daarvoor normaliter niet bereid zou zijn te betalen. Voor aandeelhoudersactiviteiten behoort geen vergoeding in rekening te worden gebracht aan andere groepsmaatschappijen.
3. X maakt onderscheid tussen kosten die zien op aandeelhoudersactiviteiten, eigen R&D-kosten en kosten die zien op (routinematige) concerndiensten. X heeft dit onderscheid gemaakt door middel van een uitgebreide analyse. De kosten die als (routinematige) concerndiensten kunnen worden aangemerkt, zullen worden doorbelast aan de relevante groepsmaatschappijen. Kosten die zien op activiteiten die in de hoedanigheid van aandeelhouder worden verricht, worden niet doorbelast evenals eigen R&D-kosten. De onderbouwing is beoordeeld en passend bevonden.
Conclusie
Partijen hebben vastgesteld welke (categorie van) kosten als (routinematige) concerndiensten kunnen worden aangemerkt en welke (categorie van) kosten als aandeelhouderskosten dan wel als eigen R&D-kosten kunnen worden aangemerkt. De kosten die als (routinematige) concerndiensten kunnen worden aangemerkt, zullen worden doorbelast aan de relevante groepsmaatschappij. De kosten die zien op aandeelhoudersactiviteiten en eigen R&D-activiteiten worden niet doorbelast.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie