Aanleiding
De fiscale eenheid X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.
Feiten
De fiscale eenheid X bestaat uit twee in Nederland gevestigde vennootschappen die zijn gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. X maakt onderdeel uit van een multinationale groep die actief is in de industriële sector. De multinationale groep ontwikkelt, produceert en verkoopt producten aan klanten wereldwijd. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers.
X functioneert als “master distributor” voor een bepaalde regio. X koopt producten van gelieerde buitenlandse productiemaatschappijen en verkoopt de producten aan gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen. Daarnaast verkoopt X producten rechtstreeks aan klanten in Nederland en in bepaalde buitenlandse jurisdicties. X is verantwoordelijk voor de distributie-, verkoop- en marketingactiviteiten voor de betreffende regio, inclusief de prestatie van de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen. X voert haar activiteiten uit op basis van een door Y, een gelieerde vennootschap gevestigd buiten de Europese Unie, verstrekte licentie op grond waarvan zij de producten mag verkopen in de haar toegewezen regio. Y draagt de belangrijkste ondernemersrisico’s met betrekking tot de producten en is daarmee restwinstgenieter. X houdt zich voorts bezig met concerndienstverlening. De geleverde concerndiensten bestaan bijvoorbeeld uit accounting, finance en personeelszaken. X is geen eigenaar van waardevolle activa en draagt slechts beperkte risico’s.
De gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen houden zich bezig met het verkopen van de producten aan klanten. De gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen sluiten over het algemeen standaardcontracten met klanten voor de verkoop van de producten. De gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen zijn geen eigenaar van waardevolle activa en dragen slechts beperkte risico’s.
X verzoekt om zekerheid vooraf over de arm’s-lengthbeloning voor haar masterdistributie activiteiten, voor haar rechtstreekse verkoop aan klanten in Nederland en bepaalde buitenlandse jurisdicties, voor de door haar geleverde concerndiensten en voor de arm’s-lengthbeloning van de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-
commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde masterdistributie-, verkoop- en concerndienstentransacties zijn de functies van X en de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen in vergelijking met die van Y als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transacties en is derhalve aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de masterdistributie- en verkoopactiviteiten alsmede de concerndiensten van X en de verkoopactiviteiten van de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval is voor de masterdistributie- en verkoopactiviteiten de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende masterdistributie- en verkoopfuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door X. Voor de geleverde concerndiensten zijn de kosten gekozen als maatstaf omdat de kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende concerndienstfuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door X. Voor de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen is de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende verkoopfuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen.
4. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie voor masterdistributie- en verkoopactiviteiten is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X en de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen. De bij het verzoek gevoegde
benchmark studie voor concerndiensten is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X.
Conclusie
Partijen hebben vastgesteld dat voor zowel de masterdistributie activiteiten als de verkoopactiviteiten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm's-length is. De gehanteerde percentages vallen binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,29% bedraagt en de upper quartile 3,88%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden zijn percentages beneden de mediaan in de vaststellingsovereenkomst gehanteerd.
Partijen hebben vastgesteld dat voor de concerndiensten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de kosten at arm's-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 4,2% bedraagt en de upper quartile 16,9%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage beneden de mediaan in de vaststellingsovereenkomst gehanteerd.
Partijen hebben vastgesteld dat voor de verkoopactiviteiten van de gelieerde buitenlandse verkoopmaatschappijen een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm's-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,29% bedraagt en de upper quartile 3,88%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage beneden de mediaan in de vaststellingsovereenkomst gehanteerd.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie