rul-20260623-atr-000001

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk in Nederland gevestigd. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door X en de in Nederland tot het concern behorende vennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [1 – 10] werknemers in Nederland.

X is onderdeel van een internationaal concern actief in de dienstverlenende sector. Het personeel van het concern, tezamen met X, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. Voor zover nodig, wordt personeel ter beschikking gesteld aan X.

X is actief betrokken bij het aansturen van haar (in)directe deelnemingen.

X houdt meer dan 5% van de aandelen in zowel Y als Z. Y en Z zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een staat van de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A).

Y en Z houden op hun beurt indirect meer dan 5% van de aandelen in W, een actieve vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland A.

W, Y en Z hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van W, Y en Z is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten onder andere voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van X binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op de belangen van X in Y en Z. X houdt meer dan 5% van de aandelen in zowel Y als Z. Zoals in de feiten is opgemerkt zijn Y en Z vergelijkbaar met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Dit rechtsvermoeden geeft voldoende duidelijkheid om zekerheid vooraf te verstrekken. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.

4. Vervolgens is beoordeeld of Y en Z voldoen aan de oogmerktoets en derhalve niet aangemerkt worden als een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.

5. W, de indirecte deelneming van Y en Z, is een actieve deelneming. Middels Y en Z wordt een relatie gelegd tussen de bedrijfsmatige activiteiten van X en de activiteiten van W. Via X, Y en Z wordt een beleidsmatige, financiële en bestuurlijke invloed uitgeoefend op het belang in W. Y en Z worden aldus door X niet als belegging gehouden. Om deze reden is voor Y en Z voldaan aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.

6. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van de belangen van X in Y en Z.

Conclusie

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X in Y en Z.

Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 31 oktober 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *