rul-20260609-apa-000016

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2024/2025 tot en met 2028/2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2023/2024.

Feiten

X is een vennootschap gevestigd in Nederland met [76 – 150] personeelsleden in Nederland en behoort tot de Z-groep. De Z-groep is actief in de informatietechnologie sector. Z is een vennootschap gevestigd buiten de Europese Unie en functioneert als het hoofdkantoor van de Z- groep. Z verricht de belangrijkste kernfuncties van de groep zoals verkoop, marketing, onderzoek en ontwikkeling. Z is de eigenaar van alle immateriële activa van de groep en draagt alle gerelateerde kosten. Voorts draagt Z de belangrijkste ondernemersrisico’s en functioneert als de principaal binnen de groep.

Z heeft een licentie verstrekt aan X voor de verkoop van producten en het leveren van gerelateerde diensten aan klanten in een bepaald territoriaal gebied. X is verantwoordelijk voor de verkoop en gerelateerde dienstverlening in het door Z aangewezen territorium. X is geen eigenaar van waardevolle activa. X draagt slechts een beperkt marktrisico en beperkt debiteurenrisico.

X verricht daarnaast ondersteunende hoofdkantoordiensten ten behoeve van gelieerde partijen in Noord- en Zuid-Amerika, Azië en Europa, waaronder het uitvoeren en bijhouden van de administratie, marketingondersteuning, juridische en IT-ondersteuning, managementservices, HR en diverse coördinatiewerkzaamheden.

De gevraagde zekerheid vooraf ziet op de volgende transacties:

o Transactie 1: verkoop en gerelateerde dienstverlening.

o Transactie 2: ondersteunende hoofdkantoordiensten.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. 2. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De overwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van Transactie 1 zijn als volgt:

– De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen Transactie 1 zijn de verkoopactiviteiten van X in vergelijking met die van Z, als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in Transactie 1 en is derhalve aangemerkt als tested party.

– DeOESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor Transactie 1 een CUP aanwezig is.

– Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van de kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval is de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende verkoopfuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.

– Debij het verzoek gevoegde benchmarkstudie voor Transactie 1 is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.

3. De overwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van Transactie 2 zijn als volgt:

– De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen Transactie 2 zijn de ondersteunende hoofdkantoordiensten van X ten behoeve van de gelieerde entiteiten als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in Transactie 2 en is derhalve aangemerkt als tested party.

– DeOESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor Transactie 2 een CUP aanwezig is.

– Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van de kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de relevante kosten gekozen als maatstaf omdat de kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende ondersteunende hoofdkantoordiensten, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.

– Debij het verzoek gevoegde benchmarkstudie voor Transactie 2 is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.

Conclusie

Partijen hebben ten aanzien van Transactie 1 vastgesteld dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet van X at arm’s-length is. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 1,39% bedraagt en de upper quartile 6,37%. In de vaststellingsovereenkomst is een punt nabij de mediaan gehanteerd.

Partijen hebben ten aanzien van Transactie 2 vastgesteld dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante kosten van X at arm’s-length is. Het percentage dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 2,35% bedraagt en de upper quartile 13,19%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingovereenkomst gehanteerd.

Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 december 2024 tot en met 30 november 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *