Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Tevens vraagt men zekerheid vooraf over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 en 2027.
Feiten
X is een commanditaire vennootschap opgericht naar het recht van Nederland. X fungeert als een platform waar arbeid en kapitaal samenkomen. De arbeid wordt geleverd door Y, de beherend vennoot is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers.
De groep is actief in de dienstverlenende sector. Het personeel in Nederland werkt voor rekening en risico van X en beschikt over professionele kennis en (internationale) ervaring in deze sector. X heeft eigen kantoorruimte ter beschikking.
Het doel van X is om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. De investeringen in de portfoliovennootschappen zal X aanhouden via Z. Z is een coöperatie opgericht naar het recht van en gevestigd in Nederland.
Geen van de leden van Z houdt een belang in Z waarmee een zodanige invloed op de besluiten in Z kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald. Er is geen indicatie dat een van de participanten van X gevestigd is in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
De werkzaamheden van X nemen de komende jaren af, om deze reden wordt een kortere looptijd gehanteerd bij de vaststellingsovereenkomst.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Voor de kwalificatie van de commanditaire vennootschap voor 2025 en verder is de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en het begrip fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en het Fondsenbesluit 2025 relevant.
Tevens ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat gelet op artikel 17, derde lid, onder a juncto artikel 17a, onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) de niet in Nederland gevestigde commanditaire vennoten van X beschikken over een vaste inrichting in Nederland.
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet daarnaast op de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van Z.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, transparant. Van deze kwalificatie wordt afgeweken indien de commanditaire vennootschap vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB.
4. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient X te voldoen aan de vereisten van artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit 2025 relevant is. Er kan slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Eén van de vereisten om te kwalificeren als een fonds voor gemene rekening of transparant fonds is dat sprake is van het ‘beleggen voor gemene rekening’. X is niet aan te merken als een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, omdat de investeringsactiviteiten van X worden gekenmerkt door actieve betrokkenheid (beleidsmatige invloed) bij de portfoliovennootschappen en het beleggingscriterium ontstijgen. X drijft om deze reden een materiële onderneming in Nederland voor toepassing van de Nederlandse belastingwet.
5. Op grond van artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb kan een buitenlandse vennootschap aangemerkt worden als buitenlands belastingplichtige indien zij deelneemt in een in Nederland gedreven onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten in de commanditaire vennootschap buitenlands belastingplichtig kunnen zijn
indien de commanditaire vennootschap een onderneming drijft naar Nederlandse fiscale maatstaven.
6. Zoals hiervoor opgemerkt drijft X een materiële onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten van X worden geacht in Nederland inkomen te genieten op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a in combinatie met de fictie van artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb. Om uitvoer te geven aan de Nederlandse belastingplicht van de buitenlandse commanditaire vennoten hebben deze vennoten bij fictie een vaste inrichting in Nederland. Een evenredig gedeelte van alle activa en passiva van X alsmede de daarmee verband houdende resultaten wordt toegerekend aan de vaste inrichting van de buitenlandse commanditaire vennoten.
7. Vervolgens is beoordeeld of op basis van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB sprake is van een kwalificerende eenheid. Van een kwalificerende eenheid is sprake als lichamen gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een kwalificerende eenheid slechts geconstateerd wordt als er sprake is van een misbruiksituatie. Het gaat daarbij om de situatie waarbij investeringen in Nederland (mede) zijn vormgegeven door middel van een constructie om bronbelastingheffing te ontwijken.
8. Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden is aannemelijk gemaakt dat er in het voorliggende geval geen sprake is van een misbruiksituatie. Het gezamenlijk handelen van de leden van Z heeft niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een van de leden of achterliggende participanten te ontgaan. Hierbij zijn alle omstandigheden van het voorliggende geval meegewogen. Bovendien is er ook geen indicatie dat één van de leden van Z gevestigd zal zijn in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er is daarom geen sprake van een kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB.
Conclusie
X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant.
De buitenlandse investeerders worden als medegerechtigden in X geacht een onderneming te drijven middels een vaste inrichting in Nederland.
Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB.
Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2027.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie