rul-20260526-atr-000004

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak.

Feiten

X1, X2, X3, X4, X5 en X6 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X1 – X6 behoren tot een internationaal opererend concern in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [11 – 25] werknemers.

Y1, de directe aandeelhouder van X1 – X5, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU) (land 1). Y2, de directe aandeelhouder van X6, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in land 1. Y1 en Y2 vervullen een (schakelende) houdsterfunctie ten aanzien van X1 – X5 respectievelijk X6, waarvoor in land 1 kantoorruimte en personeel aanwezig is.

Z, de uiteindelijke moedermaatschappij van X1 – X6, is opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (land 2). Z is de tophoudster van de groep en actief in de aansturing van het concern. Z drijft een materiële onderneming. Z is beursgenoteerd in land 2. Er zijn natuurlijke personen die een aandelenbelang van ten minste 5% houden in Z en een indirect aandelenbelang hebben in X1 – X6.

Y1 en Y2 hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van Y1 en Y2 is daarin opgenomen als buitenlandse rechtsvorm waarvoor het rechtsvermoeden geldt dat zij vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst, ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een dergelijke wezenlijke wijziging is geen sprake.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf betreft de toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor uitkeringen van X1 – X5 aan Y1 en voor uitkeringen van X6 aan Y2.

Verder wordt verzocht om zekerheid vooraf dat Y1 en Y2 naar aanleiding van hun belang in X1 – X5 respectievelijk X6 niet buitenlands belastingplichtig zijn als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X1 – X6 uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X1 – X6 binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. X1 – X5 worden gehouden door Y1 en X6 wordt gehouden door Y2. Y1 en Y2 zijn beide vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in een lidstaat van de EU. Y1 en Y2, de opbrengstgerechtigden, houden op het moment van uitkeren een belang in X1 – X5 respectievelijk in X6 waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland zou zijn gevestigd. Artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is derhalve van toepassing.

4. Aangezien de opbrengstgerechtigden in geen van de betrokken landen als transparante vennootschappen worden gezien, is geen sprake van hybride vennootschappen en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid, van de Wet DB.

5. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid, van de Wet DB van toepassing zijn. Y1 en Y2 worden niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervullen ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.

6. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling die is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c, van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).

7. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Y1 en Y2 de belangen houden met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. Y1 en Y2 worden indirect gehouden door Z, een vennootschap die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER). De tussenliggende vennootschappen worden als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijven. Bij uitkeringen van X1 – X6 aan Z zou – indien Z de belangen in X1 – X6 direct had gehouden – op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en land 2 ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling.

8. De toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.

9. Vervolgens is beoordeeld of Y1 en Y2 buitenlands belastingplichtig zijn naar aanleiding van hun belang in X1 – X5 respectievelijk X6 op grond van de antimisbruikbepaling die is opgenomen in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Er is sprake van misbruik indien de belastingplichtigen, in dit geval Y1 en Y2, het aanmerkelijk belang houden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (‘subjectieve toets’) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (‘objectieve toets’). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.

10. In het gegeven geval houden natuurlijke personen een (indirect) belang van meer dan 5% in X1 – X6. Dit betekent dat sprake kan zijn van het ontgaan van inkomstenbelasting. De objectieve toets dient te worden beoordeeld.

11. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt wanneer er in ieder geval geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is geen sprake van een kunstmatige constructie indien sprake is van een van de volgende situaties: a) de directe aandeelhouder drijft een materiële onderneming (waaronder bijvoorbeeld een tophoudster) en het belang in het Nederlandse lichaam kan functioneel tot zijn ondernemingsvermogen worden gerekend; of b) de directe aandeelhouder fungeert als tussenhoudster en beschikt over voldoende relevante substance (artikel 2d Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 (Uitv.besch. Vpb)). Ingeval sprake is van relevante substance als bedoeld in artikel 2d Uitv.besch. Vpb kan de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken dat alsnog sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb.

12. Zoals opgenomen in de feiten vervullen Y1 en Y2 een houdsterfunctie ten aanzien van respectievelijk X1 – X5 en X6 en fungeren zij als tussenhoudster richting de materiële onderneming van Z. Y1 en Y2 beschikking over voldoende relevante substance als bedoeld in artikel 2d Uitv.besch. Vpb. Gelet op deze functie volgt uit de uitlatingen in de parlementaire geschiedenis dat geen sprake is van een kunstmatige constructie. Y1 en Y2 worden derhalve naar aanleiding van hun belang in X1 – X5 respectievelijk X6 niet als

buitenlands belastingplichtig aangemerkt als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. In het gegeven geval is er geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.

Conclusie

Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X1 – X5 aan Y1 en van winstuitkeringen van X6 aan Y2 geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X1 – X6 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.

Y1 en Y2 zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *