Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers.
X houdt aandelenbelangen in meerdere vennootschappen, D1 tot en met D22, opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in staten binnen en buiten de Europese Unie (EU) (hierna: “de relevante deelnemingen”). X fungeert als houdstervennootschap en is actief betrokken bij het aansturen van de directe en indirecte deelnemingen.
Behoudens de hierna genoemde deelnemingen zijn de relevante deelnemingen operationele vennootschappen waarvan de activiteiten in lijn liggen met de activiteiten van het concern als geheel. D3, D4, D10 en D13 verrichten (tijdelijk) geen of beperkte activiteiten. Naast de operationele activiteiten van D12 stelt D12 bedrijfsmiddelen binnen de groep ter beschikking. D19 heeft een financieringsfunctie binnen de groep. D3, D4, D10, D12, D13 en D19 zijn in het land van vestiging onderworpen aan een statutair belastingtarief van ten minste 10% en de heffing aldaar kent geen relevante stelselafwijkingen ten opzichte van het Nederlandse stelsel.
Het belang van X in de relevante deelnemingen bedraagt, uitgezonderd D20, meer dan 5%. Het belang van X in D20 bedraagt minder dan 5%. Een andere binnenlandse groepsvennootschap houdt de resterende aandelen in D20.
Y, de directe aandeelhouder van X, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de EU (land 1). Y is de tophoudster van de groep en is beursgenoteerd in land 1.
Y en de relevante deelnemingen hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Deze rechtsvormen zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf betreft de toepassing van de deelnemingsvrijstelling (artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)). Er dient te worden voldaan aan de eisen van artikel 13, tweede lid, van de Wet Vpb, en er mag geen sprake zijn van een als belegging gehouden deelneming zoals bedoeld in artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming volgens artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op de relevante deelnemingen. Zoals in de feiten is opgemerkt, zijn de relevante deelnemingen vergelijkbaar met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Zoals in de toelichting bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen is opgenomen, geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. X houdt meer dan 5% van de aandelen in de relevante deelnemingen. Het belang in D20 (dat kleiner is dan 5%) wordt op grond van artikel 13, vijfde lid, van de Wet Vpb aangemerkt als een deelneming (meetrekregeling). Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid, van de Wet Vpb ten aanzien van de relevante deelnemingen.
4. Vervolgens is beoordeeld of ten aanzien van de relevante deelnemingen wordt voldaan aan de oogmerktoets, zodat geen sprake is van een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb. De meeste relevante deelnemingen (uitgezonderd D3, D4, D10, D12, D13 en D19) verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in zijn geheel. X schakelt tussen de bedrijfsmatige activiteiten van het concern en de activiteiten van de relevante deelnemingen. Daarmee wordt voor deze deelnemingen voldaan aan de oogmerktoets. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid, van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ten aanzien van de hiervoor bedoelde deelnemingen.
5. Zoals in de feiten is opgemerkt, verricht een beperkt aantal van de relevante deelnemingen (tijdelijk) geen of beperkte operationele activiteiten. Deze deelnemingen, namelijk D3, D4, D10 en D13, voldoen daarom mogelijk niet aan de oogmerktoets. Verder worden D12 en D19, gelet op hun respectievelijke terbeschikkingstellings- en financieringsfunctie binnen de groep, in beginsel aangemerkt als beleggingsdeelneming.
6. Voor deze deelnemingen (D3, D4, D10, D12, D13 en D19) is op basis van artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb beoordeeld of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is.
7. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de deelneming is onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Dit is het geval als de deelneming wordt onderworpen aan een heffing van ten minste 10% belasting naar de winst, zonder relevante stelselafwijkingen. Voorgaande is aannemelijk gemaakt door de verzoeker
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het aandelenbelang van X in de relevante deelnemingen.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling in de nationale situatie.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie