rul-20260526-atr-000001

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting.

Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025.

Feiten

X1, X2 en X3 (“X1 – X3”) zijn vennootschappen, opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X1 – X3 behoren tot een internationaal concern dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden bedrijfseconomische, operationele activiteiten uitgeoefend door X1 – X3 en de in Nederland tot het concern behorende vennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [1 – 10] werknemers.

Het doel van het concern is om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel in Nederland heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en is in dat kader verantwoordelijk voor strategische beslissingen. X1 – X3 vervullen een houdsterfunctie en zijn actief betrokken bij het aansturen van hun (in)directe deelnemingen.

X1 houdt een aandelenbelang in A en B, X2 houdt een aandelenbelang in C en D, en X3 houdt een aandelenbelang in E en F.

A, B, C, D, E en F (de relevante deelnemingen) zijn opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU) of in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. De aandelenbelangen van X1 – X3 in de relevante deelnemingen bedragen meer dan 5%.

B en F zijn operationele vennootschappen waarvan de activiteiten in lijn liggen met de activiteiten van het concern als geheel. A en E zijn houdstervennootschappen die een (in)direct belang houden in (een) operationele vennootschap(pen). C en D zijn vennootschappen met een financieringsfunctie binnen de groep. C en D zijn in het land van vestiging onderworpen aan een statutair belastingtarief van tenminste 10% en de heffing aldaar kent geen relevante stelselafwijkingen ten opzichte van het Nederlandse stelsel.

De relevante deelnemingen hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Deze rechtsvormen zijn daarin opgenomen als buitenlandse rechtsvormen waarvoor het rechtsvermoeden geldt dat zij vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst, ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een dergelijke wezenlijke wijziging is geen sprake.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf betreft de toepassing van de deelnemingsvrijstelling (artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)). Er dient te worden voldaan aan de eisen van artikel 13, tweede lid, van de Wet Vpb, en er mag geen sprake zijn van een als belegging gehouden deelneming zoals bedoeld in artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming volgens artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. 2. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X1 – X3 uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X1 – X3 binnen het concern.

3. 4. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

5. 6. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op de relevante deelnemingen. X1 – X3 houden meer dan 5% van de aandelen in de relevante deelnemingen. Zoals in de feiten is opgemerkt, zijn de rechtsvormen van de relevante deelnemingen vergelijkbaar met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb ten aanzien van de relevante deelnemingen.

7. 8. Vervolgens is beoordeeld of ten aanzien van de relevante deelnemingen wordt voldaan aan de oogmerktoets, zodat geen sprake is van een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb. A, B, E en F verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel dan wel leggen een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de uiteindelijke moedermaatschappij en de activiteiten

van de (klein)dochtermaatschappijen. A, B, E en F worden aldus niet als belegging gehouden. Daarmee wordt voldaan aan de oogmerktoets. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ten aanzien van de hiervoor bedoelde deelnemingen.

9. 10. C en D hebben een financieringsfunctie binnen de groep. C en D voldoen niet aan de oogmerktoets van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb. Op grond van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb worden bedoelde deelnemingen namelijk geacht een beleggingsdeelneming te zijn, aangezien hun functie grotendeels bestaat uit het direct of indirect financieren van verbonden lichamen.

11. 12. Vervolgens is op basis van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb beoordeeld of er sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is.

13. 14. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de deelneming is onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Dit het is geval als de deelneming wordt onderworpen aan een heffing van tenminste 10% belasting naar de winst, zonder relevante stelselafwijkingen. Daaraan wordt hier voldaan.

Conclusie

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het aandelenbelang van:

1. X1 in A en B;

2. X2 in C en D; en

3. X3 in E en F.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *