rul-20260519-apa-000011

Aanleiding

X en W hebben een multilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor een deel van het boekjaar 2016/2017 en de boekjaren 2017/2018 tot en met 2023/2024. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met het boekjaar 2022/2023.

Feiten

X en W zijn beide vennootschappen gevestigd in Nederland en behoren tot dezelfde fiscale eenheid. X en W zijn onderdeel van een multinationale groep die actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers. Y is een gelieerde vennootschap gevestigd in land A buiten de Europese Unie (EU). Z is een gelieerde vennootschap gevestigd in land B buiten de EU.

X, Y en Z functioneren binnen de groep als regionale principalen en bepalen de ondernemingsstrategie en managen de ondernemingsactiviteiten in de betreffende regio. De activiteiten die X, Y en Z verrichten voor de regio’s zijn onderling sterk verweven. Daarnaast worden X, Y en Z ondersteund door gelieerde operationele vennootschappen die diensten verlenen aan klanten. W is de operationele vennootschap die diensten verleent aan klanten in Nederland.

De zekerheid vooraf heeft betrekking op de volgende gelieerde transacties:

Transactie 1: X, Y en Z verlenen over en weer diensten aan elkaar ten behoeve van het managen en controleren van de ondernemingsactiviteiten in de regio’s.

Transactie 2: X verleent ondersteunende diensten aan Y en Z.

Transactie 3: X verleent wereldwijde marketingdiensten aan Y en Z.

Transactie 4: Y stelt immateriële activa ter beschikking aan X, Z en W.

Rechtskader

Het verzoek van X en W ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het Verrekenprijsbesluit 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen "verrekenprijsbesluit".

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X en W oefenen in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en W uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van de lichamen binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor Transactie 1 een CUP aanwezig is. De OESO-richtlijnen beschrijven dat de transactional-profit-split-methode passend is wanneer partijen unieke en waardevolle contributies leveren of betrokken zijn bij geïntegreerde ondernemingsactiviteiten. De residual-profit-split-methode beloont eerst routinematige functies die zijn onderkend middels een eenzijdige verrekenprijsmethode en verdeelt daarna de overgebleven winst. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat X, Y en Z binnen de bedrijfsprocessen waardevolle en unieke activiteiten verrichten en dat deze activiteiten in hoge mate onderling geïntegreerd zijn. De residual-profit-split-methode is daarom een passende methode om de winst van X, Y en Z vast te stellen. Er is een contributieanalyse uitgevoerd om de verdeling van de restwinst (of verlies) tussen X, Y en Z te bepalen. Op basis van een weging van de relatieve waarde van de geleverde bijdragen door X, Y en Z is een profit split percentage bepaald. De bij het verzoek gevoegde contributieanalyse is passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X, Y en Z.

3. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen Transactie 2 zijn de functies van X in vergelijking met die van Y en Z als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is derhalve aangemerkt als tested party. Niet is gebleken dat voor de ondersteunende diensten een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van de kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de operationele kosten gekozen als maatstaf omdat de operationele kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende ondersteunende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door X. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X.

4. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de CUP methode de best mogelijke

indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor de wereldwijde marketingdiensten van X aan Y en Z (Transactie 3) zijn externe CUP’s aangetroffen. De bij het verzoek gevoegde externe CUP analyse is beoordeeld en passend bevonden ter onderbouwing van de door X ontvangen vergoeding voor het verlenen van wereldwijde marketingdiensten aan Y en Z.

5. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de CUP methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Voor het ter beschikking stellen van immateriële activa door Y aan X, Z en W (Transactie 4) zijn externe CUP’s aangetroffen. De bij het verzoek gevoegde externe CUP analyse is beoordeeld en passend bevonden ter onderbouwing van de door Y ontvangen licentievergoeding voor het aan X, Z en W ter beschikking stellen van immateriële activa.

Conclusie

De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de arm’s-lengthbeloning voor Transacties 1, 2, 3 en 4. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X en W.

Partijen hebben vastgesteld dat voor Transactie 1 de restwinst (of verlies) tussen X, Y en Z wordt verdeeld middels een contributieanalyse. Dit resulteert in een profit split percentage van [10% – 25%] voor X, [60% – 75%] voor Y en [2% – 5%] voor Z.

Partijen hebben vastgesteld dat voor de ondersteunende activiteiten (Transactie 2) die X uitoefent een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de operationele kosten at arm’s- length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,99% bedraagt en de upper quartile 6,49%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd (met een op basis van de feiten en omstandigheden passende beperkte afwijking van het werkelijke resultaat ten opzichte van het gebudgetteerde resultaat).

Partijen hebben vastgesteld dat voor de wereldwijde marketingdiensten verleend door X aan Y en Z (Transactie 3) een vergoeding uitgedrukt in een percentage van de netto omzet van Y en Z at arm’s-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen de range van resultaten van de verstrekte externe CUP analyse, waarvan de lower quartile 0,10% bedraagt en de upper quartile 0,24%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd (met een op basis van de feiten en omstandigheden passende beperkte afwijking van het werkelijke resultaat ten opzichte van het gebudgetteerde resultaat).

Partijen hebben vastgesteld dat voor het ter beschikking stellen van immateriële activa door Y aan X, Z en W (Transactie 4) een vergoeding uitgedrukt in een percentage van de netto omzet van X, Z en W at arm’s-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen de range van resultaten van de verstrekte externe CUP analyse, waarvan de lower quartile 0,05% bedraagt en de upper quartile 2,00%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingovereenkomst gehanteerd.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 maart 2017 tot en met 31 mei 2024. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de aangiften vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend tot en met het boekjaar 2022/2023.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *