Aanleiding
De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox over de periode 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025.
Feiten
X is een dienstverlenende onderneming met [> 1.000] personeelsleden en met een jaarlijkse omzet van [€ 501 miljoen – € 1.000 miljoen] in Nederland. Deze omzet wordt behaald met de verkoop van diensten en softwareproducten waarin informatietechnologie is verwerkt die is ontwikkeld door X.
De fiscale eenheid X dient het verzoek in voor de activiteiten van de gevoegde dochtermaatschappij Y, waar de ontwikkelactiviteiten plaatsvinden. X maakt onderdeel uit van een internationaal concern. De fiscale eenheid X verricht transacties met buitenlandse groepsvennootschappen (met een (in-)directe verbondenheid groter dan 25%) die onder andere de producten en diensten van X wereldwijd verkopen. Daarnaast heeft X R&D-werkzaamheden uitbesteed aan een gelieerde vennootschap.
X is eigenaar van de door haar voortgebrachte immateriële activa. Naast het verrichten van routinematige activiteiten (met betrekking tot het aanbieden van ondersteunende IT-diensten aan groepsmaatschappijen van X) heeft X ook een entrepreneursrol met als bijbehorende functies (strategische) Marketing & Sales, Corporate Excellence en Research & Development. In dat kader beschikt X over een R&D-afdeling (dochtermaatschappij Y) en brengt jaarlijks immateriële activa voort waarvoor S&O-verklaringen worden verkregen met over de periode 2018 tot en met 2022 gemiddeld [20.000 – 50.000] toegekende en gerealiseerde S&O-uren per jaar. Bij de S&O- activiteiten zijn over diezelfde periode gemiddeld [> 50] R&D-medewerkers betrokken. Daarnaast heeft X over de periode 2018 tot en met 2022 gemiddeld jaarlijks [> € 10 miljoen] uitgegeven aan R&D-werkzaamheden. De daarmee gemoeide kosten bedragen gemiddeld [< 5%] van de omzet.
De succesvol afgeronde S&O-projecten hebben geleid tot de productgroepen A, B en C. De immateriële activa hebben de vorm van programmatuur.
X is voor haar specifieke marktgebied een van de Europese marktleiders. Het succes laat zich ook afmeten aan een structureel hoge winstgevendheid van de onderneming.
In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om toepassing van de per-activummethode.
Rechtskader
Het verzoek van X om toepassing van de innovatiebox ziet op de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
Voorts zijn het Innovatieboxbesluit 2025, hierna te noemen "besluit innovatiebox", het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of de transactie(s).
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2026 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto- omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, zal behalen die gelijk is aan of hoger is dan € 250.000.000.
4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X. In aanvulling daarop hebben de door X voortgebrachte immateriële activa de vorm van programmatuur.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op de fiscale operationele winst (EBIT) per kwalificerende productgroep, aangezien de immateriële activa binnen de productgroepen worden verwerkt in alle producten of diensten die binnen deze productgroepen worden voortgebracht, en een lager aggregatieniveau derhalve niet mogelijk is gebleken.
6. De vaststelling van de kwalificerende voordelen is ontleend aan het gedachtegoed van de verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Bij de bepaling van de kwalificerende voordelen is het verzoek van X gevolgd om – in lijn met paragraaf 4.6 van het besluit innovatiebox – de per-activummethode te hanteren en voordelen van de kwalificerende productgroepen als startpunt te nemen waarbij
rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.
8. Deze voordelen worden geschoond voor elementen die niet samenhangen met de kwalificerende activiteiten (in dit geval de opbrengst voor de door Y geleverde ondersteunende IT-diensten aan groepsmaatschappijen). De daarmee samenhangende niet-kwalificerende voordelen vallen niet onder de innovatiebox en worden belast tegen het reguliere tarief.
9. De resterende voordelen worden vervolgens gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. In de analyse naar het belang van de R&D-functie zijn de volgende factoren meegewogen. Y verricht als het technologisch ontwikkelcentrum van X grote inspanningen op het gebied van R&D. Dat uit zich o.a. in de relatief aanzienlijke omvang van het aantal S&O-uren, maar ook in de aantallen medewerkers die betrokken zijn bij de R&D-activiteiten in verhouding tot de aantallen medewerkers die betrokken zijn bij de overige (kern-)functies. Voorts is sprake van unieke technologie, wat blijkt uit de marktpositie van X. Ten slotte is er een verband tussen de technologie en de hoge winstgevendheid van de onderneming.
10. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat een gedeelte van de resterende voordelen door X wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De hoogte van deze toerekening is ontleend aan bij het feitencomplex passende staffels per productgroep, die mede gebaseerd zijn op de hoeveelheid toegekende en (aansluitend) gerealiseerde S&O-uren. Voor productgroep A resulteert dat naar verwachting in een toerekening van [> 60%], voor productgroep B van [46% – 60%] en voor productgroep C van [16% – 30%]. De overige voordelen zijn toerekenbaar aan de kernfuncties (strategische) Marketing & Sales en Corporate Excellence, en worden belast tegen het reguliere tarief.
11. Er is sprake van uitbestede R&D-werkzaamheden, als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb, aan buitenlandse groepsmaatschappijen die kunnen worden aangemerkt als verbonden lichaam. Omdat het aggregatieniveau voor toepassing van de innovatiebox is vastgesteld op de EBIT van de kwalificerende productgroepen, wordt de nexuscorrectie ook op dat aggregatieniveau berekend. Dit breukdeel is voor het eerste jaar van deze afspraak vastgesteld op [0,76 – 1]. Er is overigens geen sprake van gekochte immateriële activa.
Conclusie
De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie