Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030, gedeeltelijk in aansluiting op reeds eerder verstrekte zekerheid vooraf.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk in Nederland gevestigd. De vennootschappen A en C t/m H zijn tevens opgericht naar het recht van en feitelijk in Nederland gevestigd. De vennootschap B is opgericht naar het recht van een land waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft gesloten (land 1). B is feitelijk in Nederland gevestigd. De aandelen in A t/m H worden (in)direct gehouden door X.
De vennootschappen behoren tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [501 – 1.000] werknemers. De aandelen van X zijn indirect in handen van W. W is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land 2). W fungeert als de tophoudster van de groep en is actief in de aansturing van het concern in haar geheel.
A houdt deelnemingen in Y 1 t/m 26 en Z 1 t/m 10. B houdt deelnemingen in Y 27 en Z 11. C houdt deelnemingen in Y 28 t/m 31 en Z 12. D houdt een deelneming in Y 32. E houdt deelnemingen in Y 33 t/m 38. F houdt deelnemingen in Y 39 en Y 40. H houdt deelnemingen in Y 41 t/m 43. G houdt deelnemingen in Y 44 t/m 49. Daarnaast houden A en G beide een deelneming in Y 50.
De vennootschappen A t/m H houden meer dan 5% van de aandelen in Y 1 t/m 50 en Z 1 t/m 12 (hierna: de relevante deelnemingen). De relevante deelnemingen zijn vennootschappen opgericht naar het recht van het buitenland en feitelijk in het buitenland gevestigd. De vennootschappen Y 1 t/m 50 drijven een materiele onderneming. De activiteiten van deze vennootschappen liggen in het verlengde van de activiteiten van het concern in haar geheel. Een deel van de vennootschappen van Z 1 t/m 12 verrichten geen (actieve) werkzaamheden meer en een ander deel van de vennootschappen van Z 1 t/m 12 verrichten financierings- of ter beschikkingswerkzaamheden.
De vennootschappen A t/m H treden op als houdster en zijn actief betrokken bij het aansturen van Y 1 t/m 50.
De vennootschappen Z 1 t/m 12 zijn in het land van vestiging onderworpen aan een heffing naar de winst van tenminste 10%. In de betreffende landen is er geen sprake van een relevante stelselafwijking in de geldende winstbelasting.
De rechtsvorm van Y 1 komt thans niet voor op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van deze deelneming is beoordeeld door de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen. In een gepubliceerd standpunt komt de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen tot de conclusie dat de rechtsvorm van deze deelneming vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).
Y 2 t/m 50 en Z 1 t/m 12 hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvormen van Y 2 t/m 50 en Z 1 t/m 12 zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Rechtskader
Het verzoek van de vennootschappen A t/m H om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten onder andere voor rekening en risico van de vennootschappen A t/m H uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van de vennootschappen A t/m H binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van de vennootschappen A t/m H in de relevante deelnemingen. De vennootschappen A t/m H houden meer dan 5% van de aandelen in de relevante deelnemingen. Zoals in de feiten is opgemerkt zijn de relevante deelnemingen vergelijkbaar met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Zoals in de toelichting opgenomen bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Dit rechtsvermoeden geeft voldoende duidelijkheid om zekerheid vooraf te verstrekken. Als gevolg van het voorgaande wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb ten aanzien van de relevante deelnemingen.
4. Vervolgens is beoordeeld of ten aanzien van de relevante deelnemingen wordt voldaan aan de oogmerktoets, op basis waarvan geen sprake is van een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb. Op grond van de verstrekte feiten en omstandigheden bestonden er twijfels over de toepassing van de oogmerktoets ten aanzien van Z1 t/m Z12 en is zekerheidshalve besloten om ten aanzien van deze deelnemingen te toetsen of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming. De vennootschappen Y 1 t/m 50 zijn allemaal operationele deelnemingen. Zij verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel. De vennootschappen A t/m H schakelen tussen de bedrijfsmatige activiteiten van het concern en de activiteiten van Y 1 t/m 50. Y 1 t/m 50 worden aldus door de vennootschappen A t/m H niet als belegging gehouden. Om deze reden is ten aanzien van Y 1 t/m 50 voldaan aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
5. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing bij Y 1 t/m 50, zodat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ten aanzien van het belang van de vennootschappen A t/m H in Y 1 t/m 50.
6. Vervolgens is voor de vennootschappen Z1 t/m Z12 op basis van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb beoordeeld of sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is.
7. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de deelneming is onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing. Dit het geval als de deelneming wordt onderworpen aan een heffing van tenminste 10% belasting naar de winst, zonder relevante stelselafwijkingen. Dat is ten aanzien van Z1 t/m Z12 het geval. De deelnemingsvrijstelling is zodoende van toepassing ten aanzien van deze vennootschappen, omdat zij als kwalificerende beleggingsdeelneming worden aangemerkt.
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van:
• A in Y 1 t/m 26, Y 50 en Z 1 t/m 10;
• B in Y 27 en Z 11;
• C in Y 28 t/m 31 en Z 12;
• D in Y 32;
• E in Y 33 t/m 38;
• F in Y 39 en Y 40;
• H in Y 41 t/m 43; en
• G in Y 44 t/m 50.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie