Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land 1). X behoort tot een internationaal opererend concern dat actief is in de industriële sector. X is onderworpen aan een winstbelasting in land 1.
X houdt de aandelen in A. A is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. A verricht diverse ondersteunende diensten ten behoeve van X. A ontvangt hiervoor een vergoeding van X. A oefent namens X geen activiteiten in Nederland uit. Daarnaast is er in Nederland geen persoon die – formeel of feitelijk – bevoegd is om namens X overeenkomsten te sluiten en deze bevoegdheid gewoonlijk uitoefent.
Er zijn voortdurend en in wisselende samenstelling voor een bepaalde periode enkele werknemers van X aanwezig in Nederland. Deze werknemers volgen een training bij een derde partij. De werknemers oefenen de onderneming van X niet uit in Nederland.
Rechtskader
Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a, en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Indien sprake is van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger op basis van deze artikelen in combinatie met het geldende belastingverdrag, wordt aan de hand van de relevante bepalingen van dit belastingverdrag bepaald of Nederland kan heffen.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid
vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin, wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of X op basis van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17 of artikel 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.
4. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ aangesloten bij het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten is X gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van dit belastingverdrag in Nederland kan worden geheven.
5. Volgens de relevante bepalingen van het belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting indien X beschikt over een vaste bedrijfsinrichting waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Indien deze activiteiten uitsluitend van ondersteunende aard zijn, is er geen sprake van een vaste inrichting. Daarnaast vormt een plaats van uitvoering van een bouwwerk of het verrichten van constructie- of installatiewerkzaamheden een vaste inrichting indien de betreffende werkzaamheden langer duren dan de gespecifieerde periode in het belastingverdrag. Voorts kan op grond van het belastingverdrag sprake zijn van een vaste inrichting indien een persoon in Nederland gemachtigd is te handelen voor rekening en risico van X en van die machtiging gewoonlijk gebruik wordt gemaakt (vaste vertegenwoordiger).
6. De werkzaamheden die A in opdracht van X verricht, zijn ondersteunend van aard en daarvoor ontvangt A een vergoeding van X. A oefent geen activiteiten in Nederland uit waarmee de onderneming van X in Nederland geheel of gedeeltelijk wordt gedreven of gebonden.
7. De voortdurende aanwezigheid in wisselende samenstelling van werknemers van X in Nederland voor het volgen van een training bij een derde partij leidt eveneens niet tot een vaste inrichting van X in Nederland. Deze werknemers oefenen namelijk niet de onderneming van X uit in Nederland.
8. X beschikt derhalve niet over een vaste inrichting in Nederland.
9. Tevens is in Nederland geen persoon aanwezig die namens X bevoegd is om overeenkomsten te sluiten en deze bevoegdheid gewoonlijk uitoefent. Daarom is er ook geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van X in Nederland.
Conclusie
Gelet op artikel 3, vierde lid van de Wet Vpb en de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en land 1, oefent X haar onderneming voor de toepassing van de Wet Vpb niet uit met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie