Aanleiding
X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Er is tevens verzocht om de overeen te komen fiscale behandeling ook van toepassing te laten zijn op de jaren 2022 tot en met 2024. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met boekjaar 2024.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en staat aan het hoofd van een multinationaal concern, de X-groep. Het concern houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van bepaalde producten. De belangrijkste strategische functies van het concern worden uitgeoefend op het niveau van X. X houdt zich, tezamen met andere Nederlandse entiteiten binnen het concern, onder andere bezig met inkoop, verkoop, productbeheer, R&D, merkbeheer, productie, marketing, logistiek en voorraadbeheer. Daarnaast is X, tezamen met andere Nederlandse vennootschappen binnen het concern, eigenaar van belangrijke immateriële activa van de groep. De belangrijkste risico’s worden gecontroleerd en beheerd op het niveau van X. In Nederland worden, door de tot het concern behorende vennootschappen, activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers.
X heeft buiten Europa een lokale productiemaatschappij (Y). Y fungeert als contract manufacturer voor X. X verleent inkoop- en IT-diensten aan Y.
De gevraagde zekerheid vooraf ziet op de volgende transacties tussen X en Y: Transactie 1: De contract manufacturingactiviteiten van Y ten behoeve van X. Transactie 2: Verlenen van inkoopdiensten door X aan Y. Transactie 3: Verlenen van IT-diensten door X aan Y.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het Verrekenprijsbesluit 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen "verrekenprijsbesluit".
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm's-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico's van de tested party te worden meegewogen. Ten aanzien van transactie 1 zijn de functies van Y in vergelijking met die van X als uitvoerend te beschouwen, waardoor Y voor deze transactie kan worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en kan worden aangemerkt als tested party. Ten aanzien van transactie 2 en 3 zijn de functies van X in vergelijking met die van Y als uitvoerend te beschouwen waardoor X voor deze transacties kan worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transacties en kan worden aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's- lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de transacties 1, 2 en 3 een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst.
4. Voor transactie 1 zijn alle kosten die verband houden met de contract manufacturingactiviteiten gekozen als maatstaf omdat deze kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door Y. Voor transactie 2 zijn alle kosten die verband houden met de inkoopdiensten gekozen als maatstaf omdat deze kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door X. Voor transactie 3 zijn alle kosten die verband houden met de IT-diensten gekozen als maatstaf omdat deze kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.
5. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies voor transactie 1 en 2 zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X en Y. Voor transactie 3 heeft X aannemelijk gemaakt dat de IT-diensten van X op basis van hun aard, relatieve omvang en toegevoegde waarde niet behoren tot de primaire bedrijfsprocessen van de groep en dat deze activiteiten niet meer dan marginaal waarde toevoegen aan de primaire bedrijfsprocessen van de groep. In overeenstemming met paragraaf 6.3 van het Verrekenprijsbesluit 2022 en zoals ook beschreven in paragrafen 7.43 tot en met 7.65 van de OESO-richtlijnen is de vereenvoudigde methode voor diensten met beperkte toegevoegde waarde in casu passend bevonden.
Conclusie
De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de arm’s-lengthbeloning voor de transacties 1, 2 en 3. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X.
De bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat voor het bepalen van de arm’s-lengthvergoeding voor de contract manufacturingactiviteiten door Y (transactie 1) een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de totale kosten at arm's-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,56% bedraagt en de upper quartile 5,33%. In de vaststellingsovereenkomst is door de bevoegde autoriteiten een punt boven de mediaan overeengekomen.
De bevoegde autoriteiten zijn met betrekking tot transactie 2 overeengekomen dat een transactional net margin uitgedrukt in een percentage over aan de transactie toe te rekenen kosten van X at arm’s-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,39% bedraagt en de upper quartile 8,63%. In de vaststellingsovereenkomst is door de bevoegde autoriteiten een punt boven de mediaan overeengekomen.
Partijen hebben vastgesteld dat voor de IT-diensten (transactie 3) verleend door X aan Y een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten van X at arm's-length is. In de vaststellingsovereenkomst is een percentage van 5% gehanteerd.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029. Deze overeenkomst is ook van toepassing op de boekjaren 2022 tot en met 2024, waarvoor de aangiften vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie