Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X is een rechtsvorm aangegaan naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU), waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). X heeft geen rechtspersoonlijkheid, maar is vormgegeven door middel van een overeenkomst tussen een beheerder en de participanten. X wordt beheerd door Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland A. Y heeft het juridisch eigendom van de bezittingen. Y heeft geen economisch belang in X.
Het doel van X is om investeerders samen te brengen (poolen) om zodoende kapitaal (direct of indirect) te investeren in onroerende zaken in Nederland. X oefent geen activiteiten uit die het beleggingscriterium ontstijgen. X wordt, conform de geïmplementeerde Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG in verdragsland A, niet aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Tevens heeft X een rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap (nv) of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv). Deelname van investeerders vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid. In de fondsovereenkomst is opgenomen dat de bewijzen van deelgerechtigdheid alleen kunnen worden vervreemd aan het fonds zelf. X heeft meerdere participanten die bewijzen van deelgerechtigdheid houden.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Buitenlandse rechtsvormen worden gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen dat uitvoering geeft aan de in (onder andere) artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode. Tevens is relevant het kennisgroepstandpunt van 4 december 2024, KG:211:2024:16.
Voor de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb
respectievelijk artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB is het Fondsenbesluit en het Fondsenbesluit 2025 van belang.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden voor situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Deze bepaling inzake de economische nexus is in dit geval niet van toepassing, omdat het gaat om de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Voor de kwalificatie van X voor het jaar 2025 en verder is de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling van belang. Het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en de daarbij als bijlage opgenomen rechtsvormenlijst zijn in het kader van de kwalificatie van X relevant. De buitenlandse rechtsvorm van X is niet opgenomen op de rechtsvormenlijst. Op grond van het kennisgroepstandpunt KG:211:2024:16 is de rechtsvorm van X een niet-vergelijkbare rechtsvorm, indien sprake is van slechts één participant.
4. Indien de buitenlandse rechtsvorm voldoet aan de definitie van het fonds voor gemene rekening of transparant fonds zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB, dan wordt de buitenlandse rechtsvorm aangemerkt als fonds voor gemene rekening of transparant fonds. Voor de kwalificatie als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening is het van belang dat de buitenlandse rechtsvorm (materieel) wordt aangemerkt als een beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 van de Wft.
5. Het doel van X is om investeerders samen te brengen (poolen) om zodoende kapitaal te investeren. X drijft geen onderneming.
6. Voor de kwalificatie van X is relevant dat in de wettelijke definitie van het fonds voor gemene rekening in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb vijf vereisten zijn opgenomen. Voor wat betreft de definitie van het transparante fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB gelden er drie vereisten. Eén van de vereisten om te kwalificeren als een fonds voor gemene rekening is dat sprake moet zijn van bewijzen van deelgerechtigdheid die 'verhandelbaar' zijn. Zoals in de feiten is opgemerkt, is er in het gegeven geval geen sprake van 'verhandelbaarheid' in de zin van onderdeel 5 van het Fondsenbesluit en het Fondsenbesluit 2025. Dit betekent dat het fonds niet heeft te gelden als een fonds voor gemene rekening. Aan de drie vereisten (een (i) afgescheiden vermogen dat (ii) belegt voor (iii) gemene rekening) om aangemerkt te worden als transparant fonds in de zin van artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB wordt wel
voldaan. Derhalve kwalificeert X als een transparant fonds naar Nederlandse fiscale maatstaven.
Conclusie
X is naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant.
Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie