rul-20260317-atr-000002

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. De beherend vennoot van X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland, zijnde A. Y is een coöperatie opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X en Y fungeren gezamenlijk als een platform waar arbeid en kapitaal samen komen (hierna gezamenlijk: het fonds). Het fonds behoort tot een Nederlands concern met een hoofdkantoor in Nederland, dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers.

Het doel van het fonds is om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel in Nederland werkt voor rekening en risico van het fonds, heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. Het fonds heeft eigen kantoorruimte ter beschikking.

Z is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. Het doel van Z is om investeerders samen te brengen (poolen) om zodoende door hen ingelegd kapitaal te investeren. Het geïnvesteerde kapitaal in Z wordt gebruikt om te participeren in Y. Door de indiener is gesteld dat Z transparant is voor Nederlandse fiscale maatstaven. Voor doeleinden van dit verzoek wordt er vanuit gegaan dat Z transparant is. De beherend vennoot van Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland, zijnde B.

Z oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen.

Y zal geen stukken uitgeven die in fiscale zin kwalificeren als schriftelijke aandeelbewijzen of daarmee vergelijkbare stukken. Daarnaast zal een lidmaatschapsrecht in Y slechts overdraagbaar zijn na voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe door alle leden van Y. Deze schriftelijke toestemming kan achterwege blijven in het geval van een overgang van lidmaatschapsrechten onder algemene titel of een overgang van lidmaatschapsrechten onder bijzondere titel krachtens erfrecht. Y zal de samenstelling van het ledenbestand bijhouden in een ledenregister.

Geen enkele investeerder in Y zal een belang houden in Y waarmee een zodanige invloed op de besluitvorming van Y kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald. Er is ook geen investeerder in Z die indirect een belang in Y houdt waarmee een zodanige invloed op

de besluitvorming van Y kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald. Verder is er geen indicatie dat een van de investeerders die deelnemen in Y, of via Z deelnemen in Y, gevestigd zal zijn in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

De investeringen in de portfoliovennootschappen zal het fonds aanhouden via een coöperatie opgericht naar het recht van en gevestigd in Nederland.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Voor de kwalificatie van de commanditaire vennootschap zijn de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en het begrip fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en zijn het Fondsenbesluit en het Fondsenbesluit 2025 relevant.

Ook ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat gelet op artikel 17, derde lid, onder a juncto artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb de niet in Nederland gevestigde commanditaire vennoten van X beschikken over een vaste inrichting in Nederland.

Tevens vraagt Z zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a juncto artikel 17a van de Wet Vpb ten aanzien van de buitenlandse commanditaire vennoten van Z.

Daarnaast ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van Y dat er geen sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, omdat Y niet kwalificeert als houdstercoöperatie zoals gedefinieerd in artikel 1, achtste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB).

Tot slot ziet het verzoek om zekerheid vooraf op de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van Y.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en Y uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X en Y binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Kwalificatie van commanditaire vennootschap X

3. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, transparant. Van deze kwalificatie wordt afgeweken indien de commanditaire vennootschap vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB.

4. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient X te voldoen aan de vereisten van artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit en het Fondsenbesluit 2025 relevant zijn. Er kan slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Eén van de vereisten om te kwalificeren als een fonds voor gemene rekening of transparant fonds is dat sprake is van het ‘beleggen voor gemene rekening’. X is niet aan te merken als een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb, omdat X activiteiten verricht die het beleggingscriterium te boven gaan. X drijft namelijk een materiële onderneming.

Buitenlandse belastingplicht commanditaire vennoten van X en Z

5. Op grond van artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb kan een buitenlandse vennootschap aangemerkt worden als buitenlands belastingplichtige indien zij deelneemt in een in Nederland gedreven onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten in de commanditaire vennootschap buitenlands belastingplichtig kunnen zijn indien de commanditaire vennootschap een onderneming drijft naar Nederlandse fiscale maatstaven.

6. De investeringsactiviteiten van X worden gekenmerkt door actieve betrokkenheid (beleidsmatige invloed) bij de portfoliovennootschappen en ontstijgen het beleggingscriterium. Deze activiteiten worden vanuit Nederland verricht. X drijft een materiële onderneming in Nederland voor toepassing van de Nederlandse belastingwet.

7. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten van X worden geacht in Nederland inkomen te genieten op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, in combinatie met de fictie van artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb. Om uitvoer te geven aan de Nederlandse belastingplicht van de buitenlandse commanditaire vennoten hebben deze vennoten bij fictie een vaste inrichting in Nederland. Een evenredig gedeelte van alle activa en passiva van X alsmede de daarmee verband houdende resultaten wordt toegerekend aan de vaste inrichting van de buitenlandse commanditaire vennoten.

8. Z oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen. Z drijft derhalve geen materiële onderneming in Nederland. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat de buitenlandse commanditaire vennoten van Z niet worden geacht in Nederland inkomen te genieten op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, in combinatie met de fictie van artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb middels een vaste inrichting in Nederland.

Inhoudingsplicht van coöperatie Y

9. Op basis van artikel 1, tweede lid, van de Wet DB worden kwalificerende lidmaatschapsrechten in een houdstercoöperatie gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet DB en wordt een houdstercoöperatie gelijkgesteld met die vennootschappen. Daarmee is een houdstercoöperatie in beginsel inhoudingsplichtig voor de heffing van dividendbelasting.

10. Een houdstercoöperatie is in artikel 1, achtste lid, van de Wet DB gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar voor 70% of meer (hoofdzakelijk) heeft bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met haar verbonden lichamen of natuurlijke personen. In eerste aanleg wordt aan de hand van het balanstotaal bekeken of aan de grens van 70% wordt voldaan. Ook andere factoren spelen een rol, zoals de soorten van activa en passiva op de balans, omzet, activiteiten waaruit de winst afkomstig is en de tijdsbesteding van werknemers. Het betreft een doorgaans-toets, waardoor er afhankelijk van de omstandigheden in het voorafgaande jaar gedurende een korte periode of gedurende een beperkt aantal korte perioden kan worden afgeweken van de grens van 70%. Een coöperatie die zich actief bezighoudt met het beheer van haar investeringen en die in verband hiermee voldoende (kwalitatieve en kwantitatieve) aanwezigheid heeft in Nederland (zoals personeel, kantoorruimte en actieve betrokkenheid bij de onderneming van de deelnemingen), kwalificeert niet als houdstercoöperatie.

11. Op grond van de toekomstige balans van Y kan zij worden aangemerkt als een houdstercoöperatie. Dit betekent dat het van belang is om naar de overige factoren te kijken, waaronder de werkzaamheden van het aanwezige personeel. Zoals in de feiten omschreven gaat het aanwezige personeel van de groep in Nederland voor rekening en risico van Y werkzaamheden uitoefenen. Het personeel verricht deze werkzaamheden vanuit een kantoor in Nederland. Op grond van de beschreven feiten en omstandigheden is vastgesteld dat er voldoende kwalitatieve en kwantitatieve aanwezigheid is in Nederland. Dit betekent dat Y niet aangemerkt kan worden als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB. Er is derhalve geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.

Kwalificerende eenheid bronbelasting

12. Tot slot is beoordeeld of er op basis van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BB sprake is van een kwalificerende eenheid. Van een kwalificerende eenheid is sprake als lichamen gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een kwalificerende eenheid slechts geconstateerd wordt als er sprake is van een misbruiksituatie. Het gaat daarbij om de situatie waarbij investeringen in Nederland (mede) zijn vormgegeven door middel van een constructie om bronbelastingheffing te ontwijken.

13. Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden hebben Z en Y aannemelijk gemaakt dat er in het voorliggende geval geen sprake is van een misbruiksituatie. Het gezamenlijk handelen van de investeerders die direct deelnemen in Y dan wel de investeerders die middels Z deelnemen in Y heeft niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een van de leden of achterliggende participanten te ontgaan. Bovendien is er ook geen indicatie dat één van de leden van Y (of via Z) gevestigd zal zijn in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er is daarom geen sprake van een kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g, van de Wet BB.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd:

1. X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant.

2. De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten.

3. De buitenlandse commanditaire vennoten van Z zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland.

4. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.

5. Er is ten aanzien van de investeerders die direct óf via Z investeren in Y, geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 27 oktober 2025 tot en met 31 december 2029.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: