rul-20260311-ibox-000003

Aanleiding

De fiscale eenheid Y heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox bij haar concernonderdeel X. Het verzoek betreft de periode 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024.

Feiten

X is een industriële onderneming met [151 – 300] personeelsleden in Nederland. X maakt onderdeel uit van een internationaal concern met haar hoofdvestiging in Nederland. X produceert en ontwikkelt machines.

X is het hoofd van een groep van ondernemingen in binnen- en buitenland, waaronder meerdere productielocaties vallen. De belangrijkste productielocatie is in Nederland gevestigd. Er is sprake van een routinematige productiefunctie. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van externe distributeurs. De kernfuncties van de onderneming bevinden zich in Nederland. Het betreft de functies Corporate Excellence, strategische Marketing & Sales en Research & Development.

Om haar internationale positie te behouden besteedt X veel tijd aan innovatie. Deze innovatie wordt grotendeels uitgevoerd door middel van S&O-projecten. Gemiddeld realiseert X [5.000 – 10.000] S&O-uren per jaar. Hiervoor beschikt X over een R&D-afdeling die bestaat uit [5 – 10] medewerkers. De jaarlijkse R&D-kosten bedragen [€ 1,1 miljoen – € 5 miljoen]. Dit is gemiddeld [< 5%] van de omzet.

Ter bescherming van de innovaties heeft X meerdere patenten aangevraagd en verkregen. Gemiddeld betreft dit drie patenten per jaar.

In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om ongewijzigde toepassing van de afpelmethode, aangezien feiten en omstandigheden niet wezenlijk zijn gewijzigd ten opzichte van de voorafgaande vaststellingsovereenkomst.

Rechtskader

Het verzoek van Y om toepassing van de innovatiebox ziet op de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).

Voorts zijn het Innovatieboxbesluit 2021, het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties.

2. De door Y gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Y kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2025 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar Y gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto- omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, zal behalen die gelijk of hoger is dan € 250.000.000.

4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X. In aanvulling daarop is sprake van aan X verleende en door haar aangevraagde octrooien.

5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. De S&O-innovaties worden toegepast in diverse machines en in elke machine zijn meerdere S&O-innovaties verwerkt. Als gevolg hiervan is het redelijkerwijs niet mogelijk om een lager aggregatieniveau toe te passen dan de EBIT van X. Het gebruik van de afpelmethode hier het meest geschikt om de kwalificerende voordelen te bepalen.

6. De vaststelling van het voordeel is ontleend aan het gedachtegoed van de verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.

7. Bij de bepaling van de voordelen is derhalve het verzoek van X gevolgd om – in lijn met paragraaf 4.6 van het Innovatieboxbesluit 2021 – de afpelmethode te hanteren en de fiscaal kwalificerende operationele winst (de EBIT) van X als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.

8. Daarbij wordt eerst een beloning in aanmerking genomen voor de in de onderneming uitgevoerde routinematige functie. Die functie betreft productieactiviteiten, waarvoor een kostengerelateerde beloning in aanmerking is genomen. Deze beloning valt niet onder de innovatiebox en wordt belast tegen het reguliere tarief.

9. De restwinst wordt vervolgens gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. Uit de aard van de onderneming volgt dat R&D van groot belang is voor X. Het innovatieve karakter van haar technologische producten is waarom afnemers voor X kiezen. De innovatie blijkt ook uit het aantal aangevraagde en verkregen patenten en de positie van R&D binnen de organisatie. Het unieke karakter van de innovaties wordt bevestigd door het verkrijgen van diverse patenten.

10. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat een gedeelte van [31% – 45%] van de resterende operationele winst door X wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De overige operationele winst is toerekenbaar aan de kernfuncties (strategische) Marketing & Sales en Corporate Excellence, en wordt belast tegen het reguliere tarief.

11. Er is geen sprake van uitbestede R&D-werkzaamheden als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb. Er is voorts geen sprake van gekochte immateriële activa.

Conclusie

De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de innovatiebox voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: