rul-20260311-atr-000013

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven. Meer specifiek wil men de zekerheid dat de buitenlandse rechtsvorm niet kwalificeert als fonds voor gemene rekening. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een lichaam met een rechtsvorm die wordt beheerst door het recht van een lidstaat van de Europese Unie (EU), waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A).

De vennoten in X zijn T, U, V en W, in de hoedanigheid van commanditaire vennoten en Y, in de hoedanigheid van beherend vennoot. T, U, V en Y zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in landen binnen en buiten de EU (waaronder verdragsland A). W is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland.

W is actief in de dienstverlenende sector en behoort tot een concern dat bedrijfseconomische operationele activiteiten uitoefent in Nederland. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [501 – 1.000] werknemers.

X heeft een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap (CV). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

De rechtsvorm van X heeft geen rechtspersoonlijkheid. X wordt, conform de geïmplementeerde Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG in verdragsland A, niet aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Tevens heeft X een rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met een naamloze vennootschap (nv) of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (bv).

Deelname in X vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid. In de overeenkomst is bepaald dat de bewijzen van deelgerechtigdheid in X alleen kunnen worden vervreemd aan X zelf.

Het doel van X is om investeerders samen te brengen (poolen) om zodoende door hen ingelegd kapitaal te gebruiken om schuldinstrumenten te verstrekken. Deze activiteiten kwalificeren mogelijk niet als beleggen.

Rechtskader

Het verzoek ziet op de kwalificatie X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Buitenlandse rechtsvormen worden gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024. Het hiervoor aangehaalde besluit geeft uitvoering aan de (onder andere) in artikel 1a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode.

Voor de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid of artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis van de Wet IB is het Fondsenbesluit (Besluit van 27 november 2024, nr. 2024-9447) relevant.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a, van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden voor situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. Deze bepaling inzake de economische nexus is in dit geval niet van toepassing, omdat het gaat om de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat het concern in dit geval in Nederland over economische nexus beschikt.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Beoordeeld is of X als fonds voor gemene rekening kan worden aangemerkt. Voor deze beoordeling wordt ervan uitgegaan dat de activiteiten van X zijn aan te merken als beleggen.

4. Voor de kwalificatie van X is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en de daarbij als bijlage opgenomen rechtsvormenlijst relevant. De rechtsvorm van X is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan wordt vermoed dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse CV. Zoals in de toelichting opgenomen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. Er geldt een voorbehoud voor een relevante wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Zoals in de feiten opgemerkt is van een relevante wetswijziging geen sprake.

5. Van de kwalificatie in overeenstemming met de rechtsvormenlijst wordt afgeweken indien het buitenlandse samenwerkingsverband voldoet aan de definitie van het fonds voor gemene rekening (of transparant fonds zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet inkomstenbelasting 2001).

6. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient X (materieel) te worden aangemerkt als beleggingsfonds in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Relevant daarbij is het Fondsenbesluit en de daarin opgenomen

voorwaarden. Ten eerste dient de beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten in de EU-lidstaat van herkomst van de instelling conform Richtlijn 2011/61/EU respectievelijk Richtlijn 2009/65/EG niet te worden aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten. Ten tweede mag X niet een rechtsvorm bezitten die vergelijkbaar is met een nv of bv. Als voldaan is aan deze twee voorwaarden, dan is deze beleggingsinstelling voor de toepassing van artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb aan te merken als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Aangezien X in verdragsland A niet wordt aangemerkt als beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging en zij daarnaast een rechtsvorm bezit die niet vergelijkbaar is met een nv of bv (maar met een Nederlandse commanditaire vennootschap) kan worden geconcludeerd dat X (materieel) kwalificeert als een beleggingsfonds in de zin van 1:1 van de Wft.

7. X is vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening als zij tevens voldoet aan de overige voorwaarden van artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit relevant is. Daarbij kan er slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Ook geldt als eis dat sprake moet zijn van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Dit betekent dat alleen sprake kan zijn van een fonds voor gemene rekening als de bewijzen van deelgerechtigdheid (ook) aan derden kunnen worden vervreemd. Ook de verkoop aan een groepsmaatschappij en de verkoop aan bloed- en aanverwanten vormen in dit verband een vervreemding aan een derde. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden niet als verhandelbaar aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf.

8. Zoals in de feiten opgemerkt is in het gegeven geval geen sprake van 'verhandelbaarheid' in de zin van onderdeel 5.1 van het Fondsenbesluit. Dit betekent dat X niet heeft te gelden als een fonds voor gemene rekening.

9. Voor wat betreft de definitie van het transparante fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB gelden er drie vereisten. Als ervan wordt uitgegaan dat X belegt, wordt aan de drie vereisten (een (i) afgescheiden vermogen dat (ii) belegt voor (iii) gemene rekening) om aangemerkt te worden als transparant fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB voldaan en is X transparant.

10. Indien toch blijkt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer bij X, dan kan zij niet worden aangemerkt als transparant fonds. Dat betekent dat de regel van artikel 2, vierde lid van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen niet van toepassing is en dat van het rechtsvermoeden op de rechtsvormenlijst mag worden uitgegaan. Zoals in de feiten is opgemerkt heeft X een rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse CV. Van dit rechtsvermoeden wordt in het kader van zekerheid vooraf uitgegaan. Voorgaande betekent dat, indien X activiteiten verricht die meer zijn dan normaal vermogensbeheer, X naar Nederlandse maatstaven transparant is.

Conclusie

X wordt voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet niet aangemerkt als een fonds voor gemene rekening. X is voor toepassing van de Nederlandse belastingwet transparant.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: