rul-20260311-apa-000011

Aanleiding

X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024.

Feiten

X is een in Nederland gevestigde vennootschap en hoofdkantoor van de Z-groep met [501-1.000] personeelsleden in Nederland. De Z-groep is een internationaal opererende groep in de industriële sector.

X verricht de belangrijkste kernfuncties binnen de Z-groep. X is de eigenaar van immateriële activa van de groep en draagt alle daaraan gerelateerde kosten. Voorts draagt X de belangrijkste ondernemersrisico’s en functioneert als de principaal binnen de groep. X is onder meer verantwoordelijk voor het strategisch management, sales en accountmanagement, de ontwikkeling en het onderhoud van IT-systemen, financieel beheer, personeelsbeheer, inkoop, planning en project- en kostenbeheer.

Onderdeel van de Z-groep zijn de buiten de Europese Unie, in staat Y gevestigde dochtermaatschappijen A, B en C. A verkoopt ten behoeve van X goederen aan derden. B verricht ondersteunende administratieve en managementdiensten ten behoeve van X. C verricht ondersteunende diensten met betrekking tot de wereldwijde export van goederen ten behoeve van X (zoals logistiek en douanebegeleiding). Daarnaast heeft X een vaste inrichting in staat Y die administratieve diensten verricht ten behoeve van het hoofdhuis van X.

A, B, C en de vaste inrichting van X zijn geen eigenaar van waardevolle activa en dragen slechts beperkte risico’s.

De gevraagde zekerheid vooraf ziet op de volgende transacties en dealings van X:

1. Verkoopactiviteiten door A ten behoeve van X;

2. Ondersteunende administratieve en managementdiensten door B ten behoeve van X;

3. Exportdiensten door C ten behoeve van X;

4. Administratieve diensten door de vaste inrichting van X ten behoeve van het hoofdhuis van X.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats in lijn met artikel 7 van het OESO- modelverdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden onder toepassing van artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 geeft de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE- Report.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van A, B en C in vergelijking met die van X als uitvoerend te beschouwen. A, B en C kunnen daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en zijn derhalve aangemerkt als tested parties. Met betrekking tot de dealings tussen het hoofdhuis van X en de vaste inrichting van X zijn de functies van de vaste inrichting van X in vergelijking met die van het hoofdhuis van X als uitvoerend te beschouwen. De vaste inrichting van X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij ter zake van de dealings en is derhalve aangemerkt als tested party.

3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de verkoopactiviteiten van A een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van de kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die

onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval is omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende verkoopfuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door A.

4. Niet is gebleken dat voor de ondersteunende administratieve en managementdiensten van B, de exportdiensten door C en de administratieve diensten van de vaste inrichting van X een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de operationele kosten gekozen als maatstaf omdat de operationele kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s met betrekking tot de ondersteunende administratieve en managementdiensten door B, de exportdiensten door C en de administratieve diensten van de vaste inrichting van X.

5. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van A, B en C.

6. X heeft aannemelijk gemaakt dat de administratieve diensten van de vaste inrichting van X op basis van hun aard, relatieve omvang en toegevoegde waarde niet behoren tot de primaire bedrijfsprocessen van de groep en dat deze activiteiten niet meer dan marginaal waarde toevoegen aan de primaire bedrijfsprocessen van de groep. In overeenstemming met paragraaf 6.3 van het Verrekenprijsbesluit 2022 en zoals ook beschreven in paragrafen 7.43 tot en met 7.65 van de OESO-richtlijnen is de vereenvoudigde methode voor diensten met beperkte toegevoegde waarde in casu passend bevonden.

Conclusie

De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de hoogte van de beloning voor de door A, B, C en de vaste inrichting van X uitgeoefende activiteiten. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X.

De bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen dat voor de verkoopactiviteiten van A een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet van A at arm’s-length is. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 1,8% bedraagt en de upper quartile 4,7%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingsovereenkomst gehanteerd.

De bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen dat voor de ondersteunende administratieve en managementdiensten van B aan X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de operationele kosten van B at arm’s-length is.

De bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen dat voor de exportdiensten van C ten behoeve van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de operationele kosten at arm's- length is. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 0,96%

bedraagt en de upper quartile 5,72%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingsovereenkomst gehanteerd.

De bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen dat op basis van de karakterisering als diensten met beperkte toegevoegde waarde voor de administratieve activiteiten van de vaste inrichting van X een transactional net margin van 5% van de operationele kosten die daaraan zijn toe te rekenen, at arm’s-length is.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: