Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlands samenwerkingsverband naar Nederlandse fiscale maatstaven. Verder is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting van toepassing is. Dit in navolging van een eerdere overeenkomst die, als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving met betrekking tot de kwalificatie van het buitenlandse samenwerkingsverband, is komen te vervallen. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door X. Hiervoor zijn in Nederland [11 – 25] werknemers aanwezig.
Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU). Z is de enige commanditair vennoot in samenwerkingsverband Y, eveneens opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in deze lidstaat van de EU. Z is volledig gerechtigd tot de winst van Y. De beherend vennoot van Y is de naar Nederlands recht opgerichte en eveneens in die lidstaat van de EU gevestigde vennootschap B. De aandeelhouder van Z en B is een natuurlijk persoon woonachtig in dezelfde lidstaat van de EU als Z, B en Y.
Y drijft een actieve onderneming in de industriële sector. Y houdt alle aandelen van X.
Z heeft een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Deze rechtsvorm is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Y heeft een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Deze rechtsvorm is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Rechtskader
Het verzoek tot zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van Y naar Nederlandse fiscale maatstaven. Buitenlandse rechtsvormen worden gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Het hiervoor aangehaalde besluit geeft uitvoering aan de (onder andere) in artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode.
Voor de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) is het het Fondsenbesluit 2025 relevant.
X verzoekt tevens om zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet DB. Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van X aan Z.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. De groep oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Voor de kwalificatie van Y is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en de daarbij als bijlage opgenomen rechtsvormenlijst relevant. De rechtsvorm van Y is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan wordt vermoed dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een commanditaire vennootschap. Zoals in de toelichting opgenomen geeft de indicatie op de lijst in verreweg de meeste gevallen duidelijkheid en zekerheid. In het kader van vooroverleg wordt uitgegaan van het rechtsvermoeden. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een (wezenlijke) wetswijziging in het buitenland is geen sprake.
4. Van de kwalificatie in overeenstemming met de rechtsvormenlijst wordt afgeweken indien het buitenlandse samenwerkingsverband voldoet aan de definitie van het fonds voor gemene rekening of transparant fonds zoals opgenomen in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB. Eén van de vereisten om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening of transparant fonds is dat sprake moet zijn van beleggen. Zoals in de feiten is aangegeven drijft Y een materiële onderneming en zijn de activiteiten van Y dus niet gericht op het behalen van beleggingsvoordelen voor de deelgerechtigde. Om deze reden kan Y niet kwalificeren als fonds voor gemene rekening of transparant fonds.
5. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat Y voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet niet wordt aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening en derhalve kwalificeert als fiscaal transparant.
6. Hierna is getoetst of de inhoudingsvrijstelling van toepassing is. De opbrengst van de aandelen in X wordt op grond van artikel 1, veertiende lid van de Wet DB 1965 in combinatie met artikel 2.14bis, tweede lid van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 toegerekend aan de achterliggende participanten, zijnde Z en B. Opbrengstgerechtigde Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie. Z houdt op het moment van uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
7. Aangezien de opbrengstgerechtigde, Z, in geen van de betrokken landen als transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.
8. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van de Wet DB van toepassing zijn. Z wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
9. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikregeling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de subjectieve toets wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
10. Het houden van de aandelen in X door Z, via Y, is niet aan te merken als een kunstmatige constructie als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB. Bij dit oordeel is rekening gehouden met het feit dat de materiële onderneming van X in het verlengde ligt van de onderneming van Y en de aandelen in X zijn functioneel toerekenbaar aan de onderneming van Y. De inhoudingsvrijstelling kan daarom worden toegepast door X op uitkeringen aan Z (via Y).
Conclusie
Y kwalificeert voor Nederlandse fiscale maatstaven als transparant.
Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Z geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.
Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie