Aanleiding
X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2021/2022 tot en met 2025/2026. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met het boekjaar 2023/2024.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en hoofdkantoor van de Z-groep met [301 – 500] personeelsleden in Nederland. De Z-groep is een internationaal opererende groep in de industriële sector. De Z-groep houdt zich bezig met de productie en verkoop van producten.
X stuurt de Z-groep centraal aan en is eigenaar van immateriële activa. De kerntaken van X zijn het managen van de ondernemingsstrategie, inkopen van grondstoffen, aansturen van productieactiviteiten en verkopen.
Y is een gelieerde vennootschap gevestigd binnen de Europese Unie. Y verricht productieactiviteiten onder regie en aansturing van X. Y produceert een breed scala aan producten die door de Z-groep worden verkocht. Daarnaast houdt Y zich bezig met routinematige onderzoeksactiviteiten, goederenopslag en logistiek (opslag van geproduceerde producten en de organisatie van transport). Bij het uitoefenen van deze dienstverlenende activiteiten draagt Y beperkte risico’s. Y bezit geen waardevolle immateriële activa.
De gevraagde zekerheid vooraf heeft betrekking op de arm’s-lengthbeloning voor de verrichte dienstverlenende activiteiten door Y ten behoeve van X.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het Verrekenprijsbesluit 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen "verrekenprijsbesluit".
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van Y in vergelijking met die van X als uitvoerend te beschouwen. Y kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is derhalve aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de dienstverlenende activiteiten van Y een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van de kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de operationele kosten gekozen als maatstaf omdat de operationele kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende dienstverlenende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door Y.
4. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie is beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico's van Y.
Conclusie
De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de arm’s-lengthbeloning voor de dienstverlenende activiteiten van Y. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X.
Partijen hebben vastgesteld dat voor de dienstverlenende activiteiten van Y een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de operationele kosten at arm's-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 4,32% bedraagt en de upper quartile 7,78%. In de vaststellingsovereenkomst is de mediaan gehanteerd.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2026. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met het boekjaar 2023/2024.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie