Aanleiding
De groep waartoe X behoort overweegt een herstructurering gericht op de verkoop van onderdelen van de groep aan een derde partij. X wenst zekerheid vooraf te krijgen over toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 (‘Wmb 2024’) ten aanzien van deze herstructurering.
Feiten
X is een commanditaire vennootschap aangegaan naar Nederlands recht en behoort tot een groep actief in de industriële sector.
X houdt verschillende buitenlandse entiteiten. Naast X heeft de groep waartoe X behoort nog twee andere Nederlandse entiteiten en een vaste inrichting in Nederland. De groep van X verricht bedrijfseconomische operationele activiteiten in Nederland en beschikt over [26 – 75] werknemers in Nederland.
Y, een entiteit opgericht naar het recht van een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (land A) en feitelijk aldaar gevestigd, houdt indirect het gehele belang in X. Land A heeft geen kwalificerende Pijler 2 regels. Y is de uiteindelijke moederentiteit van de groep. Y houdt haar indirect belang in X via diverse entiteiten die eveneens opgericht zijn naar het recht van land A en feitelijk aldaar gevestigd. Doordat in land A geen kwalificerende Pijler 2 regels zijn geïmplementeerd, kwalificeert X als een tussenliggende moederentiteit voor de Wmb 2024.
Z, opgericht naar het recht van land A, houdt immateriële vaste activa (“IM”). De groep waartoe X behoort overweegt een herstructurering die bestaat uit een drietal transacties waarbij de IM worden overgedragen met het oog op een toekomstige verkoop van onderdelen van de groep aan een derde partij. Hierna worden de drie transacties nader toegelicht.
Transactie 1 Als eerste wordt de feitelijke leiding van Z verplaatst van land A naar land B. Land B maakt onderdeel uit van de Europese Unie (‘EU’) en heeft de Pijler 2-richtlijn van de EU (EU Richtlijn 2022/2523) in haar nationale wet omgezet.
Transactie 2 Vervolgens draagt Z het IM over naar twee nieuw op te richten groepsentiteiten V en W, waarin Z een 100%-belang houdt. V en W zijn opgericht naar het recht van land A, maar zullen door land B als fiscaal inwoner van land B aangemerkt worden en onderworpen aan winstbelasting aldaar. Z, V en W zijn op het moment van transactie 2 voor Pijler 2 doeleinden gevestigd in land B. Bij deze transactie zal commercieel en fiscaal geen resultaat (winst noch verlies) worden behaald door het korte tijdsverloop.
Transactie 3 Tot slot worden de 100%-belangen in V en W overgedragen door Z aan haar indirecte
aandeelhouder, P. P is opgericht naar het recht van land B en aldaar gevestigd. X houdt het gehele belang in P.
Alle hierboven genoemde entiteiten en gerechtigden kwalificeren als groepsentiteit voor de Wmb 2024.
De geconsolideerde omzet van de groep bedraagt ten minste EUR 750 miljoen in twee van de vier aan 2024 voorafgaande verslagjaren.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid dat transactie 1 niet kwalificeert als een transactie zoals bedoeld in artikel 6.4, derde lid van de Wmb 2024 waarvoor een correctie naar het ‘arm’s lengthbeginsel’ onder toepassing van artikel 6.4, eerste lid van de Wmb 2024 vereist zou zijn. Verder ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid dat transactie 2 kwalificeert als een transactie tussen groepsentiteiten die zich in dezelfde jurisdictie bevinden waardoor artikel 6.4, eerste lid van de Wmb 2024 niet van toepassing is. Tenslotte ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid voor transactie 3 dat een eventuele vermogenswinst behaald op de verkoop van een entiteit (niet zijnde een portfoliobelang) wordt behandeld als een uitgesloten vermogenswinst of -verlies onder artikel 6.2, eerste lid, onderdeel c van de Wmb 2024.
Voor het verzoek zijn de volgende begrippen relevant:
(i) het ‘arm’s lengthbeginsel’ van artikel 6.4 van de Wmb 2024 dat de implementatie is van artikel 16, vierde lid van de Pijler 2-richtlijn van de EU (EU Richtlijn 2022/2523), dat op haar beurt het equivalent is van artikel 3.2.3 van de OESO-modelregels (OECD (2021)) – Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two)).
(ii) ‘uitgesloten vermogenswinst of -verlies’ van artikel 6.2, eerste lid, onderdeel c van de Wmb 2024 dat de implementatie is van artikel 16, eerste lid, sub c van de Pijler 2- richtlijn van de EU (EU Richtlijn 2022/2523), dat op haar beurt het equivalent is van artikel 3.2.1 sub c van de OESO-modelregels (OECD (2021)) – Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two)).
Tenslotte is relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. 1) Aan het vereiste van economische nexus in Nederland is voldaan. De groep waartoe X behoort oefent bedrijfseconomische operationele activiteiten uit in Nederland waarvoor voldoende relevant personeel in Nederland aanwezig is. X beschikt niet over economische nexus in Nederland maar dat staat in dit specifieke geval de zekerheid niet in de weg nu dat passend is bij de aard van de gevraagde zekerheid.
2. 2) Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen als niet-coöperatieve rechtsgebieden in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
20260217 RULOV 000012 Paginanummer 2 van 3 3. 3) Er is vastgesteld dat de groep onder de reikwijdte van de Wmb 2024 valt sinds inwerkingtreding van die wetgeving. Zoals uit de feiten blijkt kwalificeert X als een tussenliggende moederentiteit voor de Wmb 2024.
4. 4) Eerst is getoetst of de voorgenomen transactie 1 een ‘transactie tussen groepsentiteiten’ is in de zin van artikel 6.4 van de Wmb 2024. Bij het verplaatsen van de feitelijke leiding is één entiteit betrokken. Aangezien er niet meerdere groepsentiteiten betrokken zijn bij transactie 1, valt deze transactie niet onder de reikwijdte van artikel 6.4 van de Wmb 2024.
5. 5) Vervolgens is getoetst of transactie 2 kwalificeert als een ‘transactie tussen groepsentiteiten die zijn gevestigd in verschillende staten’ zoals bedoeld in artikel 6.4 van de Wmb 2024. De overdracht van IM aan V en W valt evenmin onder de reikwijdte van artikel 6.4 van de Wmb 2024. Alle betrokken groepsentiteiten bij transactie 2 zijn gevestigd in dezelfde jurisdictie.
6. 6) Er is onder voorwaarden wel een correctie vereist indien er een verlies is op de overdracht van de IM tussen twee groepsentiteiten die zijn gevestigd in dezelfde jurisdictie op grond van artikel 6.4, tweede lid, van de Wmb 2024. Uit de feiten blijkt dat er geen verlies wordt gerealiseerd door de overdracht.
7. 7) Tot slot is beoordeeld of een eventueel gerealiseerd resultaat bij transactie 3 wordt behandeld als een uitgesloten vermogenswinst of -verlies onder artikel 6.2, eerste lid, onderdeel c van de Wmb 2024. Artikel 6.2, tweede lid, onderdeel c ten derde van de Wmb 2024 sluit vermogenswinst of -verlies uit indien de resultaten voortvloeien uit de vervreemding van een belang, anders dan een portfoliobelang. De vervreemding bij transactie 3 betreffen 100%- belangen waardoor er geen sprake is van een portfoliobelang.
8. 8) De gerealiseerde resultaten worden uitgesloten van het kwalificerend inkomen onder artikel 6.2, eerste lid, onderdeel c van de Wmb 2024.
Conclusie
De gevraagde zekerheid over toepassing van de Wmb 2024 met betrekking tot de herstructurering kan worden gegeven. Een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2026 is overeengekomen.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie