Aanleiding
De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox over de periode 2024 tot en met 2028
Feiten
X is een industriële onderneming met [301 – 500] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [€ 51 miljoen – € 150 miljoen].
De fiscale eenheid X dient het verzoek in voor de activiteiten van dochtermaatschappij Y, waar de ontwikkelactiviteiten plaatsvonden. X maakt onderdeel uit van een internationaal concern. Y is in 2022 overgenomen door Z, de buitenlandse moedermaatschappij van X en aansluitend gevoegd in de fiscale eenheid van X. Na de overname heeft Y haar immateriële activa in 2023 in licentie gegeven aan Z, en verricht Y alleen nog contract R&D-werkzaamheden ten behoeve van Z. Op dit laatste element is de innovatiebox niet van toepassing.
De fiscale eenheid X verricht transacties met buitenlandse groepsvennootschappen (met een (in- )directe verbondenheid groter dan 25%). Daarnaast heeft Y geen R&D-werkzaamheden uitbesteed aan een gelieerde vennootschap.
Y is eigenaar van de door haar voortgebrachte immateriële activa. Ter zake van de door Y tot het moment van overname voortgebrachte immateriële activa was sprake van de bijbehorende kernfuncties Corporate Excellence en Research & Development. In dat kader beschikte Y over een R&D-afdeling en bracht tot en met 2023 immateriële activa voort waarvoor S&O-verklaringen werden verkregen met over de periode 2020 tot en met 2023 gemiddeld [> 50.000] toegekende en gerealiseerde S&O-uren per jaar. Bij de S&O-activiteiten waren over diezelfde periode gemiddeld [> 50] R&D-medewerkers betrokken. Daarnaast heeft Y over de periode 2018 tot en met 2022 gemiddeld jaarlijks [€ 5 miljoen – € 10 miljoen] uitgegeven aan R&D-werkzaamheden. De daarmee gemoeide kosten bedroegen gemiddeld [> 15%] van de omzet.
De succesvol afgeronde S&O-projecten hebben geleid tot de in licentie gegeven immateriële activa, waarvoor een handelsvergunning is aangevraagd. De handelsvergunning wordt naar verwachting verleend aan Z, die heeft aangegeven vervolgens een exclusieve licentie (om niet) te zullen verstrekken aan X.
In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om toepassing van de per-activummethode.
Rechtskader
Het verzoek van X om toepassing van de innovatiebox ziet op de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
Voorts zijn het Innovatieboxbesluit 2021, het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde.
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of de transactie(s).
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X kwalificeert niet als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, van de Wet Vpb, omdat gedurende 2024 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto- omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, heeft behaald die gelijk is aan of hoger is dan € 250.000.000. Zelfstandig kwalificeert X wel als een kleinere belastingplichtige maar doordat zij onderdeel is van een groter concern niet.
4. Y heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte mogelijk kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze inmiddels in licentie gegeven immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan Y. Nu de handelsvergunning (als bedoeld in artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, ten vijfde, van de Wet Vpb) nog niet is verleend, en datzelfde geldt voor de daarop te vestigen exclusieve licentie (als bedoeld in artikel 12ba, vierde lid, van de Wet Vpb), is er thans nog geen sprake van kwalificerende immateriële activa. Dat zal eerst het geval zijn als de handelsvergunning en de exclusieve licentie zullen zijn verleend.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op de fiscale operationele winst (EBIT) van Y, voor zover die samenhangt met de in licentie gegeven immateriële activa, en een lager aggregatieniveau derhalve niet mogelijk is gebleken. Gelet op de belangrijke functie van R&D in de onderneming tot het moment van overname is deze functie aangemerkt als kernfunctie.
6. De vaststelling van de kwalificerende voordelen is ontleend aan het gedachtegoed van de verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Bij de bepaling van de kwalificerende voordelen is derhalve het verzoek van X gevolgd om – in lijn met het Innovatieboxbesluit 2021 – de per-activummethode te hanteren en voordelen uit de in licentie gegeven immateriële activa na aftrek van kosten als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.
8. Deze voordelen worden vervolgens gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. In de analyse naar het belang van de R&D-functie zijn de volgende factoren meegewogen. Y heeft ter zake van de in licentie gegeven immateriële activa grote inspanningen op het gebied van R&D verricht. Dat uitte zich onder andere in de relatief aanzienlijke omvang van het aantal S&O-uren, maar ook in het aantal medewerkers dat betrokken was bij de R&D-activiteiten in verhouding tot het totale aantal medewerkers.
9. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat een gedeelte van [> 60%] van de netto voordelen kunnen worden toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb met ingang van het jaar dat zal worden voldaan aan de eisen als gesteld in artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Tot dat jaar zullen deze voordelen worden belast tegen het reguliere tarief. De overige voordelen zijn toerekenbaar aan de kernfunctie Corporate Excellence, en worden belast tegen het reguliere tarief.
10. Er is geen sprake geweest van door Y uitbestede R&D-werkzaamheden als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb. Er is voorts geen sprake geweest van door Y gekochte immateriële activa.
Conclusie
De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox wordt voldaan met ingang van het jaar dat zal worden voldaan aan de eisen als gesteld in artikel 12ba, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Er is overeenstemming bereikt over de in dat geval toe te passen innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie