rul-20260217-atr-000014

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de objectvrijstelling. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X is onderdeel van een internationaal opererend concern actief in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [76 – 150] werknemers.

X houdt aandelen in verschillende binnenlandse en buitenlandse vennootschappen. Daarnaast is X commanditair vennoot in een samenwerkingsverband, Y, aangegaan naar het recht van een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). Y oefent in verdragsland A een actieve onderneming uit.

Y heeft een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Deze rechtsvorm is op die lijst opgenomen als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat zij vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

Het verzoek is ingetrokken.

Rechtskader

Er wordt verzocht te bevestigen dat de objectvrijstelling als bedoeld in artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing is op het belang van X in Y.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve

rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Op basis van de aangeleverde feiten lijkt het verzoek op voorhand aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter te voldoen. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.

2. Om het verzoek om zekerheid vooraf te kunnen behandelen en te beoordelen, is door de Belastingdienst om additionele informatie gevraagd en zijn er vragen gesteld. Vervolgens heeft X besloten om het verzoek tot zekerheid vooraf in te trekken. Het verzoek is daarom niet inhoudelijk beoordeeld.

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: