rul-20260203-atr-000005

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2023 tot en met 2026.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). X maakt deel uit van een internationaal opererend concern actief in de dienstverlenende sector. Het betreffende belastingverdrag dateert uit een jaar vóór het OESO-Modelverdrag uit 1977 en bijbehorend OESO-commentaar. X is onderworpen aan winstbelasting in verdragsland A.

In Nederland worden door X werkzaamheden uitgevoerd op verschillende locaties. De werkzaamheden van X worden uitgevoerd met behulp van een verplaatsbare installatie. De installatie wordt bediend door eigen personeel van X. Deze werkzaamheden worden uitgeoefend ten behoeve van verschillende opdrachtgevers. De opdrachtgevers zijn derde partijen, waaronder Y.

Y is opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. De werkzaamheden voor Y worden uitgeoefend onder een raamovereenkomst geldend voor een periode van enkele jaren. In de raamovereenkomst zijn in principe geen afspraken gemaakt over het aantal uit te voeren werkzaamheden en het is onvoorspelbaar of (en hoeveel) opdrachten worden verstrekt.

Indien X een opdracht uitvoert van Y, dan bereidt Y de locatie voor. Na de voorbereiding door Y bouwt X de installatie op en worden de werkzaamheden uitgevoerd door het personeel van X door middel van de installatie. Alle activiteiten van X worden uitgevoerd op de locatie gedurende de tijd dat de installatie actief is. X heeft geen andere ruimte in Nederland ter beschikking. De werkzaamheden van X worden in belangrijke mate vanuit verdragsland A aangestuurd en geanalyseerd.

In een periode dat X geen werkzaamheden voor Y verricht, worden opdrachten voor andere opdrachtgevers in Nederland verricht op basis van afzonderlijke contracten.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Als sprake is van een vaste inrichting op basis van deze artikelen, dient op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A en het multilateraal verdrag ter

implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (MLI) te worden bepaald of Nederland wel kan heffen.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Er is beoordeeld of X op basis van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.

4. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ verstaan het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten is X gevestigd in een lidstaat van de EU waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.

5. Volgens de relevante bepalingen van het belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Indien deze activiteiten uitsluitend van ondersteunende aard zijn, is er geen sprake van een vaste inrichting. Daarnaast vormt een plaats van uitvoering van een bouwwerk of het uitvoeren van constructie- of installatiewerkzaamheden alleen een vaste inrichting indien de betreffende werkzaamheden langer dan twaalf maanden duren.

6. In een arrest van 13 oktober 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY4080, heeft de Hoge Raad beslist dat onder een vaste inrichting mede kan worden begrepen een inrichting welke, ook al mocht zij verplaatsbaar zijn, geregeld als ‘middelpunt van te lande uitgeoefende bedrijf dient’. De verplaatsbare installatie van X kan worden aangemerkt als een dergelijke inrichting. De aard van de werkzaamheden die door X worden uitgeoefend brengt met zich

mee dat de bedrijfsinrichting met enige regelmaat wordt verplaatst binnen Nederland. Daarbij is ook rekening gehouden met de aanwezigheid van X in Nederland. Er is namelijk sprake van een duurzame aanwezigheid door X in Nederland.

7. Op grond van het voorstaande kan daarom niet worden toegekomen aan het verzoek van X dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland. Op grond van de feiten en omstandigheden is er wel sprake van een vaste inrichting van X in Nederland. De verzochte zekerheid vooraf kan om deze reden niet worden verstrekt. Het verzoek om zekerheid vooraf is afgewezen. Daarnaast zal een aangiftebiljet vennootschapsbelasting aan X worden uitgereikt.

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is afgewezen. Derhalve is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.

Aan X zal een aangiftebiljet vennootschapsbelasting worden uitgereikt.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *