Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.
Feiten
X1 is een coöperatie opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X1 houdt indirect het belang in X2, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X1 en X2 behoren tot een internationaal opererend concern in de handelssector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [11 – 25] werknemers.
X1 houdt meerdere (in)directe deelnemingen, zowel binnen als buiten de Europese Unie, en is actief betrokken bij het aansturen van haar (in)directe deelnemingen. De meeste deelnemingen houden zich bezig met operationele activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern als geheel (“de operationele deelnemingen”). Een deelneming houdt slechts een minderheidsbelang in een operationele deelneming (“de houdsterdeelneming”).
De lidmaatschapsrechten in X1 worden gehouden door Y1, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft (verdragsland A), en Y2, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft (verdragsland B). Y1 drijft een materiële onderneming. Het hoofdkantoor van het concern is gevestigd in verdragsland B.
Het belang in X2 wordt gehouden door Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft (verdragsland C).
Y1, Y2, Z en de deelnemingen gehouden door X1 hebben rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024. De rechtsvormen van Y1, Y2, Z en de deelnemingen gehouden door X1 zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
X zal geen stukken uitgeven die in fiscale zin kwalificeren als schriftelijke aandeelbewijzen of daarmee vergelijkbare stukken. Daarnaast is een lidmaatschapsrecht in X slechts overdraagbaar na voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe door alle leden van X. Deze schriftelijke toestemming kan achterwege blijven in het geval van een overgang van lidmaatschapsrechten
onder algemene titel of een overgang van lidmaatschapsrechten onder bijzondere titel krachtens erfrecht. X zal de samenstelling van het ledenbestand bijhouden in een ledenregister.
Verdragsland A en verdragsland B zijn geen laagbelastende jurisdicties. Y1 en Y2 hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Y1 wordt in zowel Nederland als verdragsland A behandeld als een niet-transparante vennootschap. Y1 is geen hybride entiteit. Y2 wordt voor fiscale doeleinden van verdragsland B aangemerkt als transparante entiteit en voor Nederlandse fiscale doeleinden aangemerkt als niet-transparant. Y2 is dus een hybride entiteit.
Er zijn geen in het buitenland wonende natuurlijke personen met een direct of indirect belang van 5% of meer in X1 en X2.
Rechtskader
Het verzoek van X1 om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Men verzoekt ook om te bevestigen dat Y1, Y2 en Z niet buitenlands belastingplichtig zijn als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 en artikel 17a van de Wet Vpb.
Het verzoek van X1 ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat er geen sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, omdat X1 niet kwalificeert als houdstercoöperatie zoals gedefinieerd in artikel 1, achtste lid van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB).
Tevens verzoekt de groep zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet DB. Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van X2 aan Z.
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet ook op de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021, zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd door Y1 en Y2 voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belang in X1.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X1 en X2 uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X1 en X2 binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling
laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
Deelnemingsvrijstelling
3. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op het belang van X1 in de buitenlandse deelnemingen. X houdt meer dan 5% van de aandelen in de buitenlandse deelnemingen. De rechtsvormen van de buitenlandse deelnemingen gehouden door X1 zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Derhalve wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
4. Vervolgens is beoordeeld of de buitenlandse deelnemingen voldoen aan de oogmerktoets en derhalve niet dienen te worden aangemerkt als beleggingsdeelnemingen in de zin van artikel 13, negende lid van de Wet Vpb.
5. Op basis van de parlementaire geschiedenis wordt aan deze toets voldaan indien een deelneming een materiële onderneming drijft en de ondernemingsactiviteiten van deze deelneming overeenkomen met de activiteiten van de groep in haar geheel. De activiteiten van de operationele deelnemingen liggen in het verlengde van de activiteiten van het concern als geheel. Het oogmerk van het houden van de operationele deelnemingen is om een hoger rendement te behalen dan wat bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Om deze reden is voor de operationele deelnemingen aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb voldaan.
6. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van het belang van X1 in de operationele deelnemingen.
7. Bij de houdsterdeelneming wordt niet aan de oogmerktoets voldaan, omdat er uitsluitend een minderheidsbelang in een andere buitenlandse vennootschap wordt gehouden. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid van de Wet Vpb zijn van toepassing. Er is beoordeeld of ten aanzien van deze deelneming sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming waarop de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing is. Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is onder andere sprake als de bezittingen, onmiddellijk of middellijk, van de houdsterdeelneming niet doorgaans voor meer dan de helft bestaat uit laagbelaste vrije beleggingen (“bezittingentoets”). Om deze toets te kunnen maken is een toerekeningsbalans opgesteld waarop alle bezittingen van de houdsterdeelneming en diens dochtermaatschappij is opgenomen. De basis voor deze toerekeningsbalans zijn de bezittingen zoals opgenomen in de commerciële jaarrekeningen.
8. Op basis van de toerekeningsbalans is duidelijk dat de onmiddellijke en middellijke bezittingen van de houdsterdeelneming niet doorgaans voor meer dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen. Dit betekent dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de voordelen die X1 verkrijgt vanuit de houdsterdeelneming op basis van de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb.
Buitenlandse belastingplicht
9. Y1 en Y2 houden de lidmaatschapsrechten in X1, en Z houdt aandelen in X2. Y1, Y2 en Z kunnen mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 of 17a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig zijn. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. Op grond van de feiten en omstandigheden kan bevestigd worden dat Y1, Y2 en Z geen vaste inrichting of vaste vertegenwoordiging hebben in Nederland.
10. Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. In dit geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van de Nederlandse onderneming.
11. Vervolgens is beoordeeld of Y1 en Y2 buitenlands belastingplichtig zijn naar aanleiding van hun belang in X1, respectievelijk of Z buitenlands belastingplichtig is naar aanleiding van haar belang in X2, op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtigen, in dit geval Y1, Y2 en Z, het aanmerkelijk belang houden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (“objectieve toets”). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de aanwezigheid van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.
12. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of de aandeelhouders van X1 respectievelijk X2 het belang houden met als hoofddoel om Nederlandse inkomstenbelasting te ontgaan. In het gegeven geval houdt uiteindelijk geen in het buitenland wonend natuurlijk persoon een direct of indirect belang van meer dan 5% in X1 respectievelijk X2. Dit betekent dat er in het kader van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting.
13. Nu is vastgesteld dat op het niveau van Y1, Y2 en Z geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting hoeft niet meer stil gestaan te worden bij de objectieve toets van de antimisbruikbepaling.
Belastingplicht coöperatie
14. Op basis van artikel 1, tweede lid van de Wet DB worden kwalificerende lidmaatschapsrechten in een houdstercoöperatie gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet DB en wordt een houdstercoöperatie gelijkgesteld met die vennootschappen. Daarmee is een houdstercoöperatie in beginsel inhoudingsplichtig voor de heffing van dividendbelasting.
15. Een houdstercoöperatie is in artikel 1, achtste lid van de Wet DB gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar voor 70% of meer (hoofdzakelijk) heeft bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met haar verbonden lichamen of natuurlijke personen. In eerste aanleg wordt aan de hand van het balanstotaal bekeken of aan de grens van 70% wordt voldaan. Ook andere factoren spelen een rol, zoals de soorten van activa en passiva op de balans, omzet, activiteiten waaruit de winst afkomstig is en de tijdsbesteding van werknemers. Het betreft een doorgaans-toets, waardoor er afhankelijk van de omstandigheden in het voorafgaande jaar gedurende een korte periode of gedurende een beperkt aantal korte perioden kan worden afgeweken van de grens van 70%. Een coöperatie die zich actief bezighoudt met het beheer van haar investeringen en die in verband hiermee voldoende (kwalitatieve en kwantitatieve) aanwezigheid heeft in Nederland (zoals personeel, kantoorruimte en actieve betrokkenheid bij de onderneming van de deelnemingen), kwalificeert niet als houdstercoöperatie.
16. Op grond van de balans van X1 kan zij worden aangemerkt als een houdstercoöperatie. Dit betekent dat het van belang is om naar de overige factoren te kijken, waaronder de werkzaamheden van het aanwezige personeel. Zoals in de feiten omschreven oefent het aanwezige personeel van de groep in Nederland voor rekening en risico van X1 werkzaamheden uit. Het personeel verricht deze werkzaamheden vanuit een kantoor in Nederland. Op grond van de beschreven feiten en omstandigheden is vastgesteld dat er voldoende kwalitatieve en kwantitatieve aanwezigheid is in Nederland. Dit betekent dat X1 niet aangemerkt kan worden als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB. Er is derhalve geen
inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.
Toepassing inhoudingsvrijstelling
17. X2 wordt gehouden door Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een staat binnen de EU. Z, de opbrengstgerechtigde, houdt op het moment van uitkeren een belang in X2 waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland zou zijn gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
18. Aangezien de opbrengstgerechtigde in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.
19. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van de Wet DB van toepassing zijn. Z wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
20. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikregeling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikregeling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
21. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Z het belang houdt met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. Z wordt (in)direct gehouden door X1, een coöperatie die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in Nederland. De tussenliggende vennootschappen worden als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijven. Bij uitkeringen van X2 aan X1 zou – indien X1 het belang in X2 direct had gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling.
22. Toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.
Belastingplicht bronbelasting
23. Er is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1 van de Wet BB ten aanzien van Y1 en Y2.
24. Omdat Y1 is gevestigd in verdragsland A en Y2 is gevestigd in verdragsland B, zijn Y1 en Y2 niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB.
25. Y1 en Y2 hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en zijn derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.
26. Vervolgens is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – Y1 en Y2 zijn gevestigd in een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, en gerechtigd zijn tot de voordelen in de vorm van dividenden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de
heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
27. Op grond van de voorgaande toetsen is beoordeeld of op basis van alle relevante gegevens sprake is van een kunstmatige constructie. Het hoofdkantoor van het concern, die indirect het volledige belang houdt in Y1, is gevestigd in verdragsland B en drijft een materiële onderneming. Het houden van de aandelen in X1 door Y1 is niet gericht op het ontgaan van de heffing van Nederlandse bronbelasting. Y1 is niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB.
28. Aangezien Y1 in verdragsland A niet als transparante vennootschap wordt gezien, is er geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen d en e van de Wet BB.
29. Y2 wordt voor fiscale doeleinden van verdragsland B aangemerkt als transparante entiteit. Dat betekent dat Y2 niet volgens de fiscale regelgeving van een staat in die staat is gevestigd. Om deze reden blijft toepassing van de antimisbruikbepalingen van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c en d van de Wet BB achterwege.
30. Y2 zou belastingplichtig kunnen zijn op basis van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB, tenzij de uitzondering van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB van toepassing is. Op grond van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB dient vastgesteld te worden of er een achterliggende gerechtigde is die samen met een of meer andere lichamen een kwalificerende eenheid vormt. Vervolgens dient getoetst te worden, indien sprake is van een achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang, of de achterliggende gerechtigde die wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen bronbelasting zou zijn verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d zonder tussenkomst van in dit geval Y2. Daarnaast kan de bronbelasting ook achterwege blijven als er geen achterliggende gerechtigde is die een kwalificerend belang heeft in Y2.
31. Het belang in Y2 wordt gehouden door Y1. Y1 drijft een materiële onderneming. Y1 zou zonder tussenkomst van Y2 geen bronbelasting zijn verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d. Y2 is op grond van het voorstaande niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB.
Conclusie
De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de voordelen die X1 verkrijgt vanuit de operationele deelnemingen op basis van de oogmerktoets van artikel 13, negende lid en tiende lid van de Wet Vpb, en op de voordelen die X1 verkrijgt vanuit de houdsterdeelneming op basis van de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb.
Y1, Y2 en Z zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb.
X1 kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.
Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X2 aan Z geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X2 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.
Y1 en Y2 zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X1 op grond van artikel 2.1 van de Wet BB.
20260127 ATR 000003 Paginanummer 7 van 7
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie