rul-20260120-rulov-000004

Aanleiding

Z heeft verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) ten aanzien van een langlopende grensoverschrijdende financiering. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

Z, een vennootschap opgericht naar Nederlands recht en feitelijk gevestigd in Nederland, maakt onderdeel uit van een groot internationaal concern dat actief is in de industriële sector, de A-groep. De A-groep verricht middels diverse in Nederland gevestigde groepsvennootschappen bedrijfseconomische operationele activiteiten in Nederland en heeft in Nederland [501 – 1.000] personeelsleden. A, de tophoudster van het concern, is een vennootschap gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU). B is een financieringsvennootschap gevestigd in dezelfde EU lidstaat als A. A en B zijn onderworpen aan winstbelasting in de EU lidstaat en opgenomen in een fiscaal consolidatieregime aldaar voor winstbelastingdoeleinden.

Z houdt diverse deelnemingen gevestigd binnen en buiten Nederland en functioneert als hoofdkantoor van een divisie van de A-groep. Met het oog op een beursgang van een deel van de A-groep heeft Z in 2025 aandelen direct verworven in vennootschappen actief in een specifiek segment en regio van de A-groep.

Een deel heeft Z gefinancierd met eigen vermogen. Een deel aanvankelijk met een kortlopende geldlening die de A-groep extern had ingeleend. Een externe minderheidsaandeelhouder is betrokken bij een deel van de vennootschappen. Na een korte periode heeft A een langlopende obligatielening aangetrokken uit de markt en de gelden doorgeleend aan B door middel van een langlopende lening. B heeft op haar beurt de gelden doorgeleend aan Z. Z heeft op haar beurt de gelden aangewend om de kortlopende geldlening terug te betalen.

Er was sprake van een reële financieringsbehoefte bij Z rekening houdend met de consistente dividendpolitiek van Z.

De voorwaarden van de langlopende lening van A aan B en van B aan Z zijn vrijwel geheel gelijk aan die van de langlopende obligatielening van A aan de markt qua looptijd, rente en aflossingsschema. Overeenkomsten van geldlening zijn opgemaakt. De gelden zijn niet via hybride financieringen verstrekt of via hybride entiteiten geleid.

Rechtskader

Het verzoek ziet op de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb ten aanzien van de langlopende grensoverschrijdende financiering die Z is aangegaan bij B voor de herfinanciering van de kortlopende geldlening die zij aangewend heeft voor de verwerving van aandelen in een verbonden lichaam.

Specifiek zoekt men bevestiging dat een geslaagd beroep kan worden gedaan op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb en de rente niet in aftrek beperkt wordt door de toepassing van artikel 10a van de Wet Vpb.

Relevant zijn hierbij het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. De A-groep oefent in Nederland operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van Z uitgeoefend. De activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern.

2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handelingen of transacties. Aanvullend heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. De langlopende geldlening van B aan Z kwalificeert als een schuld in de zin van artikel 10a, eerste lid van de Wet Vpb aangezien B een verbonden lichaam is van Z en zij verband houdt met verwervingen van aandelen in een verbonden lichaam. Tenzij Z aannemelijk maakt dat aan de rechtshandeling en aan de schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen (“dubbele zakelijkheidstoets”) of indien er sprake is van compenserende heffing, is de rente op de langlopende lening aan B, kosten daaronder begrepen, niet aftrekbaar.

4. Z heeft aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de dubbele zakelijkheidstoets voor de aangetrokken langlopende geldlening van B. Aan de rechtshandeling liggen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag gezien de specifieke feiten en omstandigheden waaronder de door Z aangetoonde complexiteit uit hoofde van de aanwezigheid van de minderheidsaandeelhouder en rekening houdend met de beoogde beursgang. Dit geldt ook voor de daarmee samenhangende schuld nu Z in samenhang met haar consistente dividendpolitiek een reële financieringsbehoefte aannemelijk heeft gemaakt alsmede dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat de externe langlopende financiering aangetrokken op het niveau van A niet onzakelijk omgeleid is via B naar Z. Van belang is hierbij ook geacht dat er op het doorlenen van de gelden vanuit A naar Z via B geen gebruik is gemaakt van hybride leningen en ook niet van hybride entiteiten.

Conclusie

Z kan een geslaagd beroep doen op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb voor de langlopende lening van B.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: