rul-20260120-atr-000012

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de dienstverlenende sector, de Y groep. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [501 – 1.000] werknemers.

X verricht, tezamen met enkele andere vennootschappen binnen de Y groep, bepaalde portfolio management diensten voor een zeer groot aantal fondsen en beleggingsvehikels binnen de groep (gezamenlijk de relevante partijen). In dat kader neemt X, tezamen met andere vennootschappen binnen de Y groep, beslissingen die van invloed kunnen zijn op de relevante partijen. Verondersteld wordt dat X voor deze werkzaamheden een zakelijke beloning ontvangt.

De relevante partijen zijn gevestigd in ofwel landen waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten ofwel landen waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft afgesloten. Geen van de relevante partijen is gevestigd in een staat die is opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

X verricht deze activiteiten vanuit een kantoor in Nederland. De relevante partijen en de andere vennootschappen binnen de Y groep hebben geen toegang tot dit kantoor. X sluit formeel geen overeenkomsten namens de relevante partijen, maar de beslissingen van X zijn wel van belang voor de daaropvolgende handelingen van de relevante partijen. De relevante partijen zijn in een bepaalde mate afhankelijk van X en de andere vennootschappen binnen de groep. De functie en werkzaamheden van X brengen daarom mogelijk met zich mee dat X – al dan niet gezamenlijk met de andere vennootschappen binnen de Y groep – materieel de relevante partijen vertegenwoordigt.

Rechtskader

Het verzoek van X en de relevante partijen om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdelen a en b en de verdere bepalingen in artikel 3 in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Hierbij is ook relevant het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 van 14 juni 2022 alsmede het OESO rapport uit 2010 ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments 2010’ (PE-Report). Als sprake is van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger op basis van deze artikelen in combinatie met het geldende belastingverdrag, dient op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en het betreffende verdragsland te worden bepaald of

Nederland wel kan heffen. Indien geen belastingverdrag van toepassing is, dan wordt teruggevallen op de hoofdregel van artikel 3, vierde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip “vaste inrichting” of “vaste vertegenwoordiger” verstaan het begrip “vaste inrichting” zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten zijn enkele van de relevante partijen gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt voor dit gedeelte van de relevante partijen direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.

4. Op grond van de verschillende relevante bepalingen van de toepasselijke belastingverdragen is sprake van een vaste inrichting als de relevante partijen een vaste bedrijfsinrichting hebben waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Als deze activiteiten echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een vaste inrichting. Voorts kan op grond van de belastingverdragen sprake zijn van een vaste inrichting indien een persoon in Nederland gemachtigd is te handelen voor rekening en risico van de relevante partijen en van die machtiging gewoonlijk gebruik wordt gemaakt (vaste vertegenwoordiger).

5. X verricht haar activiteiten via een kantoor in Nederland, maar dit kantoor staat niet ter beschikking aan de relevante partijen. Dit betekent dat de relevante partijen niet beschikken over een vaste bedrijfsinrichting in Nederland. De activiteiten van X in Nederland leiden niet tot een vaste inrichting van die relevante partijen zoals bedoeld in de toepasselijke belastingverdragen.

6. X heeft geen werknemers in dienst die namens de relevante partijen tekenen of dat recht gewoonlijk uitoefenen. Het kan echter niet volledig uitgesloten worden dat mogelijk toch sprake is van een materiële invloed op de te sluiten overeenkomsten door de relevante

partijen. De gedragingen van de relevante partijen zijn namelijk deels afhankelijk van de beslissing die X gezamenlijk neemt met de andere groepsvennootschappen binnen de structuur. Dat zou mogelijk kunnen betekenen dat de relevante partijen in Nederland beschikken over een vaste vertegenwoordiging. Indien en voor zover gesteld kan worden dat X de relevante partijen vertegenwoordigt in Nederland, is het in dit specifieke geval niet nodig om winsten toe te rekenen aan de eventueel te constateren vaste inrichtingen. X wordt zakelijk beloond voor de door haar geleverde diensten. Voorgaande is ook in lijn met onderdeel 5.3 van het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 en het PE-Report.

7. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel b van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip “vaste inrichting” verstaan een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend, met dien verstande dat de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden slechts dan een vaste inrichting is indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt. In artikel 3, achtste lid van de Wet Vpb wordt het begrip “vaste vertegenwoordiger” geduid.

8. Zoals is opgemerkt in de feiten zijn enkele van de relevante partijen gevestigd in een land waarmee Nederland geen belastingverdrag is overeengekomen. Daarom wordt ook getoetst aan de wettelijke definitie, welke identiek is aan de definitie van de toepasselijke belastingverdragen. Zoals hiervoor is overwogen staat het kantoor van X niet ter beschikking aan de relevante partijen. Dit betekent dat er in beginsel geen sprake is van een vaste inrichting.

9. Zoals hiervoor is opgemerkt in overweging 6 kan niet volledig uitgesloten worden dat X de relevante partijen, die gevestigd zijn in landen waar Nederland geen belastingverdrag mee heeft, vertegenwoordigt. Dat zou mogelijk kunnen betekenen dat dit deel van de relevante partijen eveneens in Nederland beschikt over een vaste vertegenwoordiging. Indien en voor zover gesteld kan worden dat X deze relevante partijen vertegenwoordigt in Nederland, is het in dit specifieke geval niet nodig om winsten toe te rekenen aan de eventueel te constateren vaste inrichtingen. In het specifieke geval wordt namelijk verondersteld dat X zakelijk beloond wordt voor de door haar geleverde activiteit. Voorgaande is ook in lijn met onderdeel 5.3 van het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 en het PE-Report.

Conclusie

Gelet op artikel 3, vierde lid, onderdelen a en b en de verdere bepalingen van artikel 3 van de Wet Vpb in combinatie met de relevante bepalingen van de relevante belastingverdragen zou mogelijk sprake kunnen zijn van vaste vertegenwoordiging van de relevante partijen door X in Nederland. Indien en voor zover gesteld kan worden dat X deze relevante partijen vertegenwoordigt in Nederland, is het in dit specifieke geval niet nodig om winsten toe te rekenen aan de eventueel te constateren vaste inrichtingen.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 11 juni 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: