rul-20260120-atr-000001

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de jaren 2023 tot en met 2027.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (verdragsland A). X is een actieve dochtervennootschap van een internationaal opererend concern in de industriële sector. X is onderworpen aan een winstbelasting in verdragsland A.

Vanwege wettelijke verplichtingen om haar producten in de Europese Unie (EU) te mogen importeren en distribueren heeft X een registratieadres in Nederland, huurt zij een ruimte van een Nederlandse groepsvennootschap van het concern en is zij een serviceovereenkomst aangegaan met een derde partij (B) voor de kwaliteitscontrole van de producten die binnen de EU geïmporteerd worden. De door X gehuurde ruimte wordt slechts gebruikt voor het ontvangen van post die betrekking heeft op de registratie van X in Nederland en het op verzoek (en sporadisch) ontvangen van de relevante autoriteiten in dat kader. Het eventuele gebruik van het Nederlandse adres op een factuur heeft geen fiscale gevolgen in Nederland of een ander land.

B verricht de overige werkzaamheden voor X in het eigen kantoor van B. Tot dat kantoor heeft X geen toegang, anders dan met expliciete toestemming. De functies en werkzaamheden van B brengen niet met zich mee dat B – formeel dan wel feitelijk – de bevoegdheid heeft om overeenkomsten te sluiten.

De producten van X worden in Nederland door een derde partij (C) geïmporteerd in Nederland vanuit een land buiten de EU en opgeslagen in het magazijn van een andere derde partij (D). D zal de producten vervolgens verschepen aan lokale distributeurs en klanten. Er zullen geen werknemers van X betrokken zijn bij de werkzaamheden van C en D in Nederland ten behoeve van X. Zij zullen ook geen toegang hebben tot het kantoor van C en het magazijn van D, anders dan met expliciete toestemming. De functies en werkzaamheden van C en D brengen niet met zich mee dat C en D – formeel dan wel feitelijk – de bevoegdheid hebben om overeenkomsten te sluiten namens X.

X heeft geen werknemers in Nederland en oefent verder geen activiteiten uit in Nederland.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Als sprake is van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger op basis van deze artikelen in combinatie met

het geldende belastingverdrag, dient op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A te worden bepaald of Nederland wel kan heffen.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip “vaste inrichting” of “vaste vertegenwoordiger” verstaan het begrip “vaste inrichting” zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten is X gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.

4. Op grond van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Als deze activiteiten echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een vaste inrichting. Voorts kan op grond van het belastingverdrag sprake zijn van een vaste inrichting indien een persoon in Nederland gemachtigd is te handelen voor rekening en risico van X en van die machtiging gewoonlijk gebruik wordt gemaakt (vaste vertegenwoordiger).

5. X beschikt met de gehuurde ruimte over een vaste bedrijfsinrichting in Nederland, maar deze vaste bedrijfsinrichting wordt slechts sporadisch en in zeer beperkte mate gebruikt. Er kan daardoor niet worden gesproken van een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de activiteiten van de onderneming van X geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Daarnaast staan het kantoor van B, het kantoor van C en het magazijn van D, waar zij hun respectievelijke werkzaamheden voor X verrichten, niet ter beschikking aan X. Hierdoor leiden de activiteiten van X in Nederland niet tot een vaste inrichting zoals bedoeld in het toepasselijke belastingverdrag.

6. Er is tevens geen sprake van een persoon die namens X bevoegd is overeenkomsten af te sluiten en dat recht gewoonlijk uitoefent. Hierdoor is ook geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van X in Nederland.

Conclusie

Gelet op artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb in combinatie met de relevante bepalingen van het verdrag tussen Nederland en verdragsland A oefent X haar onderneming niet uit met behulp van een vaste inrichting in Nederland voor de toepassing van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 2 januari 2023 tot en met 31 december 2027.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: