Aanleiding
Er is een onderzoek ingesteld of X in Nederland is gevestigd en daarmee als binnenlands belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting aangemerkt had moeten worden. Het betreft de jaren 2022 en 2023.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een belastingverdrag is overeengekomen (verdragsland A). X is actief in de zakelijke dienstverlening.
De aandelen in X worden direct gehouden door een in Nederland woonachtige natuurlijk persoon die tevens de enige bestuurder is van X.
X verricht voornamelijk diensten voor in Nederland gevestigde opdrachtgevers, waardoor het merendeel van haar omzet in Nederland wordt gerealiseerd. X beschikt over personeel in Nederland en heeft werkruimte ter beschikking.
X heeft een rechtsvorm naar buitenlands recht die vanuit Nederlands perspectief kwalificeert als kapitaalvennootschap (non transparant). In verdragsland A beschikt X over een kantoorruimte met werkplaats. In verdragsland A verricht X enkel ondersteunende werkzaamheden.
X heeft geen aangiften vennootschapsbelasting ingediend in Nederland omdat zij van mening is dat zij niet in Nederland gevestigd is en ook niet beschikt over een vaste inrichting.
De Belastingdienst heeft naar aanleiding van een onderzoek een eenzijdig standpunt ingenomen over de belastingplicht van X in Nederland. Hierbij is het Besluit rulings met een internationaal karakter niet in acht genomen wat de Belastingdienst alsnog doet door onder andere publicatie van deze samenvatting.
Rechtskader
Er is een onderzoek ingesteld om vast te stellen of X binnenlands belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant is ook het inwonersartikel opgenomen in het van toepassing zijnde belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A.
Subsidiair is onderzocht of X buitenlands belastingplichtige is vanwege de aanwezigheid van een vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a Wet Vpb. Als sprake is van een vaste inrichting op basis van deze artikelen, dient op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A te worden bepaald of Nederland wel kan heffen.
Omdat X geen aangiften vennootschapsbelasting heeft ingediend kwalificeert het eenzijdige standpunt als grensoverschrijdende ruling in de zin van artikel 2b van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB). Het Besluit rulings met een internationaal karakter verwijst voor de afbakening van het begrip “internationale ruling” onder andere naar artikel 2b WIB. Daarom is het Besluit rulings met een internationaal karakter van toepassing op het eenzijdige standpunt alsmede de Regeling laagbelastende staten en niet–coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X, alsmede het concern waartoe X behoort, oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van X binnen het concern.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse (loon)belasting (inclusief premies sociale verzekeringen) is naar de mening van de Belastingdienst de doorslaggevende beweegreden geweest voor X voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties. Echter dit staat het eenzijdige standpunt niet in de weg nu door de uitkomst van het eenzijdige standpunt de belastingbesparing geheel wordt teruggenomen. Ook is meegewogen dat met de invoering van het Besluit rulings met een internationaal karakter nooit beoogd is om het toezicht van de Belastingdienst te beperken.
3. X is een kapitaalvennootschap en zal als binnenlands belastingplichtige aan vennootschapsbelasting onderworpen zijn indien zij in Nederland gevestigd is. Op grond van artikel 4 Algemene wet rijksbelastingen dient de vestigingsplaats van X op basis van de relevante feiten en omstandigheden beoordeeld te worden. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de feitelijke leiding van X berust bij haar bestuur en dat X bestuurd wordt vanuit Nederland. X wordt feitelijk vanuit Nederland geleid. Het belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A is mede in overweging genomen maar beperkt het nationale heffingsrecht niet. Het inwonersartikel – mocht X ook aangemerkt worden als inwoner van verdragsland A – verwijst namelijk naar de plaats van werkelijke leiding wat gelijkenis heeft met de plaats van feitelijke leiding zijnde Nederland.
4. Subsidiair is beoordeeld of X beschikt over een vaste inrichting in Nederland. Op grond van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. De activiteiten die X verricht in Nederland worden uitgevoerd vanuit een vaste bedrijfsinrichting. Als deze activiteiten echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een vaste inrichting. Hiervan is in dit geval geen sprake. Ingeval van X worden de werkzaamheden verricht vanuit een kantoorpand in Nederland waar meerdere werknemers werkzaam zijn. De activiteiten van X leiden in Nederland tot een vaste inrichting zoals bedoeld in het toepasselijke belastingverdrag.
Conclusie
Primair is X gevestigd in Nederland en daarmee binnenlands belastingplichtig op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, Wet Vpb. Subsidiair beschikt X over een vaste inrichting in Nederland en is zij buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a Wet Vpb.
Dit is vastgelegd in een eenzijdig standpunt en heeft betrekking op de jaren 2022 en 2023.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie