Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028.
Feiten
X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X is onderdeel van een internationaal concern actief in de dienstverlenende sector. In Nederland worden activiteiten uitgeoefend door X en de in Nederland tot het concern behorende vennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [11 – 25] werknemers in Nederland.
X zal meer dan 5% van de aandelen in Y gaan houden, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een staat van de Europese Unie waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A).
Y houdt op haar beurt direct minder dan 5% van de aandelen in diverse investeringen. In verdragsland A is op grond van de aldaar geldende wet- en regelgeving de deelnemingsvrijstelling van toepassing op de belangen die Y aanhoudt.
Het verzoek is afgewezen.
Rechtskader
Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Er is gewezen op de additionele informatie die moet worden verstrekt voor het in behandeling nemen van het verzoek onder het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter (hierna: ‘het Besluit’).
2. Die opgevraagde informatie had onder andere betrekking op de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarde van paragraaf 3, onderdeel b, sub i van het Besluit. In voornoemde paragraaf is aangegeven dat geen vooroverleg wordt gevoerd ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter als het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties is.
3. Op basis van de aangeleverde informatie kon niet worden vastgesteld dat het besparen van Nederlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden is voor de opgezette structuur en daarmee dus ook voor de voorgenomen (rechts)handeling(en) of transacties. Het verzoek om zekerheid vooraf is dan ook afgewezen.
Conclusie
Het verzoek om zekerheid vooraf is afgewezen. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
Het voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie