rul-20251223-apa-000029

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025/2026 tot en met 2029/2030.

Feiten

X is een in Nederland gevestigde vennootschap met [> 1.000] personeelsleden en maakt onderdeel uit van de internationaal opererende Y-groep. De Y-groep is actief in de industriële sector en ontwikkelt, produceert en verkoopt goederen.

De Y-groep is georganiseerd door middel van een aantal principalen waarvan het wereldwijde hoofdkantoor, Y, is gevestigd buiten Europa. Een aantal vennootschappen gevestigd binnen en buiten Europa (hierna: A), Y, en Z, een vennootschap gevestigd binnen Europa, zijn verantwoordelijk voor de (door)ontwikkeling van intellectueel eigendom waarbij gebruik wordt gemaakt van contract R&D-dienstverleners.

Z is als regionale distributeur tevens verantwoordelijk voor de Europese verkoopactiviteiten van de Y-groep. Z koopt haar producten in van gelieerde en ongelieerde (contract) manufacturers en verkoopt de producten aan lokale verkoopentiteiten (limited risk distributeurs).

X verricht contract manufacturing ten behoeve van Y, en logistieke diensten ten behoeve van Z. X heeft een eigen magazijn ter beschikking voor haar logistieke diensten. X verricht tevens contract R&D-diensten ten behoeve van A, Y en Z. Daarnaast verleent X juridische, HR, IT-, regulatory en vertalingsdiensten aan diverse entiteiten (hierna: B) binnen de Y-groep (ondersteunende dienstverlening).

Bij de uitoefening van de activiteiten draagt X beperkte risico’s en maakt X geen gebruik van waardevolle immateriële activa.

X verzoekt om zekerheid vooraf ten aanzien van de arm’s-length beloning van haar activiteiten ten behoeve van A, B, Y en Z.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO- richtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van X in vergelijking met die van A, B, Y en Z als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is derhalve aangemerkt als tested party.

3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de contract manufacturing, contract R&D-, logistieke en de ondersteunende dienstverlening van X een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval zijn de operationele kosten gekozen als maatstaf omdat de operationele kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende contract manufacturing, contract R&D-, logistieke en ondersteunende diensten, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.

4. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies voor de contract manufacturing, contract R&D-, logistieke en ondersteunende diensten zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de contract manufacturing van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten at arm's-length is.

Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 3,65% bedraagt en de upper quartile 15,50%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingovereenkomst gehanteerd.

Partijen hebben vastgesteld dat voor de contract R&D diensten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten at arm's-length is.

Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 2,95% bedraagt en de upper quartile 11,76%. In de vaststellingsovereenkomst is een punt nabij de mediaan gehanteerd.

Partijen hebben vastgesteld dat voor de logistieke diensten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten at arm's-length is.

Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 2,07% bedraagt en de upper quartile 7,39%. In de vaststellingsovereenkomst is een punt nabij de mediaan gehanteerd.

Partijen hebben vastgesteld dat voor de ondersteunende diensten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten at arm's-length is.

Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 2,48% bedraagt en de upper quartile 10,26%. In de vaststellingsovereenkomst is een punt nabij de mediaan gehanteerd.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die ziet op de boekjaren 2025/2026 tot en met 2029/2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: