Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025/2026 tot en met 2029/2030.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap met [301 – 500] personeelsleden en maakt onderdeel uit van de internationaal opererende Y-groep. De Y-groep is actief in de industriële sector en ontwikkelt, produceert en verkoopt goederen. Y is een vennootschap gevestigd buiten Europa en is het wereldwijde hoofdkantoor van de Y-groep. Y is tezamen met een aantal andere principalen verantwoordelijk voor de (door)ontwikkeling van (nieuwe) immateriële activa van de groep en draagt tezamen met de andere principalen alle gerelateerde kosten.
Z is als regionale distributeur verantwoordelijk voor de Europese verkoopactiviteiten van de Y- groep. Z koopt haar producten in van gelieerde en ongelieerde (contract) manufacturers en verkoopt de producten aan lokale verkoopentiteiten (limited risk distributeurs), waaronder X. Z is verantwoordelijk voor de Europese prijs- en marketingstrategie.
X is een distributeur en verkoopt producten aan niet-gelieerde partijen binnen met name Nederland en een aantal andere landen in Europa. Daarnaast verricht X ondersteunende diensten op het gebied van belastingen en financiën (hierna: ondersteunende diensten) binnen de Y-groep.
Bij de uitoefening van de activiteiten draagt X beperkte risico’s en maakt X geen gebruik van waardevolle immateriële activa.
X verzoekt om zekerheid vooraf ten aanzien van de arm’s-length beloning van haar activiteiten ten behoeve van Z.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.
Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een
internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van X in vergelijking met die van Z als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transactie en is derhalve aangemerkt als tested party.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de verkoop- en distributieactiviteiten en de ondersteunende diensten van X een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. Ten aanzien van de verkoop- en distributieactiviteiten van X is de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende verkoop- en distributiefuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door X. Ten aanzien van de ondersteunende diensten van X zijn de operationele kosten gekozen als maatstaf omdat de operationele kosten de relevante indicator zijn voor de waarde van de uitgeoefende ondersteunende diensten, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.
4. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies voor de verkoop- en distributieactiviteiten en de ondersteunende dienstverlening zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.
Conclusie
Partijen hebben vastgesteld dat voor de verkoop- en distributieactiviteiten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm's-length is.
Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 2,57% bedraagt en de upper quartile 5,41%. In de vaststellingovereenkomst is de mediaan gehanteerd.
Partijen hebben vastgesteld dat voor de ondersteunende diensten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante operationele kosten at arm's-length is.
Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 2,48% bedraagt en de upper quartile 10,26%. In de vaststellingsovereenkomst is een punt nabij de mediaan gehanteerd.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die ziet op de boekjaren 2025/2026 tot en met 2029/2030.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie