rul-20251223-apa-000018

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een vennootschap gevestigd in Nederland en maakt onderdeel uit van de internationaal opererende Z-groep. In Nederland worden door X activiteiten uitgeoefend door [76 – 150] werknemers. De Z-groep is actief in de handelsector. Z is het hoofdkantoor van de Z-groep en is gevestigd buiten Europa.

Z verricht de belangrijkste kernfuncties van de groep zoals onderzoek en ontwikkeling, sales en marketing. Z is de eigenaar van alle immateriële activa van de groep en draagt alle daaraan gerelateerde kosten. Voorts draagt Z de belangrijkste ondernemersrisico’s en functioneert als de principaal binnen de groep. Z heeft een distributiecontract gesloten met X voor de verkoop van producten in een bepaald territoriaal gebied. X zal verantwoordelijk zijn voor de distributie en verkoop van producten in het door Z aangewezen territorium. X zal de producten direct verkopen aan klanten of aan gelieerde distributie entiteiten. X is geen eigenaar van waardevolle activa. X draagt slechts beperkte risico's.

Daarnaast verricht X ook administratieve ondersteunende activiteiten ten behoeve van andere groepsentiteiten. Bij het verrichten van deze activiteiten is X geen eigenaar van waardevolle activa en draagt ze slechts beperkte risico's.

X verzoekt om zekerheid vooraf ten aanzien van de arm’s-length beloning van haar verkoop en distributieactiviteiten ten behoeve van Z en haar administratieve ondersteunende activiteiten

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transacties zijn de functies van X als uitvoerend te duiden. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde transacties en is aangemerkt als tested party.

3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm's-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de verkoop- en distributieactiviteiten en de administratieve ondersteunende activiteiten van X CUP’s aanwezig zijn.

4. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de brutomarges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de brutomarge is mede afhankelijk van de kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In het geval van de verkoop- en distributieactiviteiten is de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende verkoop- en distributiefuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door X.

5. De Transactional Net Margin Method met de relevante kosten als maatstaf is als methode gehanteerd voor de bepaling van de beloning voor de administratieve ondersteunende activiteiten van X.

6. De bij het verzoek gevoegde benchmark studie voor de verkoop- en distributieactiviteiten en de benchmark studie voor de administratieve ondersteunende activiteiten zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de verkoop- en distributieactiviteiten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm's-length is. Partijen hebben vastgesteld dat voor de administratieve ondersteunende activiteiten van X een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de relevante kosten van X at arm’s length is.

Het gehanteerde percentage dat in de overeenkomst is gehanteerd met betrekking tot de verkoop- en distributieactiviteiten valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde

partijen waarvan de lower quartile 1,56% bedraagt en de upper quartile 4,90%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage onder de mediaan in de vaststellingovereenkomst gehanteerd.

Het gehanteerde percentage dat in de overeenkomst is gehanteerd met betrekking tot de administratieve ondersteunende activiteiten valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,98% bedraagt en de upper quartile 12,18%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingovereenkomst gehanteerd.

De uitkomsten van de twee benchmark studies zijn gecombineerd en uitgedrukt in één gezamenlijk percentage van de totale omzet van X.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: