rul-20251223-apa-000007

Aanleiding

X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2020 tot en met 2023. De aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren tot en met 2021 zijn reeds ingediend.

Feiten

X is een in Nederland gevestigde vennootschap en is onderdeel van de Y-groep waarvan de moedermaatschappij is gevestigd in land B buiten de Europese Unie (EU). De Y-groep is actief in de industriële sector.

In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers. X is verantwoordelijk voor productie, inkoop en verwerking van fysieke producten alsmede verkoop- en handelsactiviteiten. Z, een vennootschap gevestigd in land B en eveneens onderdeel van de Y-groep, is ook nauw betrokken bij de verkoop- en handelsactiviteiten van groepsmaatschappijen, waarbij zij ook deels verantwoordelijk is voor de handelsstrategie, het risicomanagement en de financiering.

X en Z werken op een intensieve wijze samen ten aanzien van de belangrijkste processen binnen de waardeketen van de Y-groep. Zo werken X en Z bijvoorbeeld intensief samen op het gebied van het bepalen van de (handels)strategie, het ontwikkelen, optimaliseren en uitvoeren van risicomanagement en bijbehorende processen alsmede het financieren van de (kapitaalintensieve) kernactiviteiten van X, inclusief hedging.

Zowel X als Z leveren in dit kader unieke en waardevolle bijdragen aan de belangrijkste ondernemingsactiviteiten van X. Tevens dragen en beheersen X en Z de belangrijkste bedrijfsrisico’s met betrekking tot de bedrijfsprocessen van X.

De gevraagde zekerheid ziet op een zakelijke verdeling van de restwinst van X, tussen X en Z.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het Verrekenprijsbesluit 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen "verrekenprijsbesluit".

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s- length resultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de activiteiten van X een CUP aanwezig is.

3. De OESO-richtlijnen beschrijven dat de transactional-profit-split-methode passend is wanneer beide partijen unieke en waardevolle contributies leveren of betrokken zijn bij geïntegreerde ondernemingsactiviteiten. De residual-profit-split-methode beloont eerst routinematige functies die zijn onderkend, in casu een beloning voor de routinematige productieactiviteiten van X, middels een eenzijdige verrekenprijsmethode en verdeelt daarna de overgebleven winst.

4. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat X en Z binnen de bedrijfsprocessen van X beide waardevolle en unieke activiteiten verrichten en dat deze activiteiten in hoge mate onderling geïntegreerd zijn. Tevens dragen en beheersen beide partijen de belangrijkste bedrijfsrisico’s met betrekking tot de bedrijfsprocessen van X. De residual-profit-split-methode is daarom een passende methode om de winst van X vast te stellen.

5. Er is een contributieanalyse uitgevoerd om de verdeling van de restwinst (of verlies) tussen X en Z te bepalen. Op basis van een weging van de relatieve waarde van de geleverde bijdragen door X en Z is een profit split percentage bepaald. De bij het verzoek gevoegde contributieanalyse is, na het doorvoeren van een aantal wijzigingen, passend bevonden bij de functies, activa en risico's van X en Z.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat de restwinst (of verlies) van X, die resteert nadat alle routinematige activiteiten at arm’s-length zijn beloond, overeenkomstig de uitkomst van de contributieanalyse verdeeld kan worden tussen X en Z.

Dit resulteert in een residual-profit-split-percentage van [50% – 70%] voor X en [30% – 50%] voor Z. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren tot en met 2021 reeds zijn ingediend.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *