rul-20251216-apa-000002

Aanleiding

X en Y hebben een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.

Feiten

X en Y zijn gelieerde vennootschappen gevestigd in Nederland. Z is een gelieerde vennootschap gevestigd in land A in de Europese Unie. De enig aandeelhouder van X, Y en Z is tevens werknemer van X (hierna W) en levert juridische diensten aan diverse klanten. W heeft het voornemen om met ingang van 1 januari 2026 naar land A te verhuizen.

Y heeft een kantoorruimte in Nederland en sluit daar opdrachtovereenkomsten met klanten. De opdrachten worden in Nederland en in land A uitgevoerd. In Nederland worden de opdrachten door Y uitgevoerd waarbij sprake is van een managementovereenkomst tussen X en Y aangezien W in dienst is bij X. In land A worden de opdrachten namens Y door Z uitgevoerd. Deze werkzaamheden worden voor [> 70%] van de tijd uitgevoerd in land A en voor [< 30%] in Nederland. Y en Z oefenen kernactiviteiten uit.

Het verzoek om zekerheid vooraf heeft betrekking op de at arm’s-lengthbeloning voor de activiteiten die door Y en Z worden verricht.

Rechtskader

Het verzoek van X en Y ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke beloning (een arm’s-lengthbeloning). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022.

Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. X en Y oefenen in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en Y uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van de lichamen binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

2. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de activiteiten van Y of Z een CUP aanwezig is. De OESO-richtlijnen beschrijven dat de transactional profit split methode passend is wanneer beide partijen unieke en waardevolle contributies leveren of betrokken zijn bij geïntegreerde ondernemingsactiviteiten.

3. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat Y en Z beide waardevolle en unieke activiteiten verrichten en dat deze activiteiten in hoge mate onderling geïntegreerd zijn. De transactional profit split methode is daarom een passende methode om de verrekenprijzen tussen Y en Z vast te stellen.

4. Er is een contributieanalyse uitgevoerd om de verdeling van de restwinst (of verlies) tussen Y en Z te bepalen. Op basis van een weging van de relatieve waarde van de geleverde bijdragen door Y en Z, in casu de verwachte tijdbesteding, is een profit split percentage bepaald. De bij het verzoek gevoegde contributieanalyse is passend bevonden bij de functies, activa en risico's van Y en Z.

Conclusie

Partijen hebben vastgesteld dat voor de vaststelling van de verrekenprijzen voor de activiteiten verricht door Y en Z de toepassing van de transactional profit split methode at arm's-length is.

Partijen hebben vastgesteld dat de winst (of verlies) tussen Y en Z wordt verdeeld middels een contributieanalyse. Dit resulteert in een profit split percentage van [< 30%] voor Y en [> 70%] voor Z.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: