rul-20251209-atr-000011

20251209 ATR 000011

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de handelssector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers. Y, de directe aandeelhouder van X, is een vennootschap die feitelijk is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). De aandelen in Y worden -via een stichting administratiekantoor- gehouden door natuurlijke personen woonachtig in Nederland en in verdragsland A. Tijdens de behandeling van het verzoek is door de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen die zien op de toepassing van de inhoudingsvrijstelling. Belastingplichtige heeft vervolgens een afweging gemaakt en het verzoek ingetrokken. Het verzoek is ingetrokken.

Rechtskader

Men verzoekt om zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van X aan Y. Tevens verzoekt de groep om zekerheid vooraf dat Y niet buitenlands belastingplichtig is op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17 en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Op basis van de aangeleverde informatie leek het verzoek op voorhand te voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg 20251209 ATR 000011rulings met een internationaal karakter. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.
2. Tijdens de behandeling van het verzoek zijn voor de casus relevante arresten gewezen door de Hoge Raad. Door de verzoeker is daarop besloten het verzoek om vooroverleg in te trekken.
3. Door de intrekking is niet definitief vastgesteld of het verzoek voldeed aan de voorwaarden van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Ook is daardoor niet toegekomen aan afronding van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.

Belang: