20251209 APA 000002
Samenvatting
Aanleiding
X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te verkrijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en maakt onderdeel uit van de A-groep met [> 1.000] personeelsleden in Nederland. De A-groep is een internationaal concern dat actief is in de industriële sector. X werkt samen met Z, een niet-gelieerde vennootschap in land B (Europa). X en Z exploiteren een bedrijfsmiddel dat in gezamenlijk eigendom is en zich in beide landen bevindt. Op basis van het verdrag tussen beide landen heeft X een vaste inrichting in land B en heeft Z een vaste inrichting in Nederland. X en Z zijn voor een gelijk deel gerechtigd tot de winst binnen deze samenwerking. Er wordt zekerheid gevraagd over de winstverdeling tussen het hoofdhuis van X en haar vaste inrichting in land B en over de winstverdeling tussen het hoofdhuis van Z en de vaste inrichting in Nederland.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke winstallocatie aan de vaste inrichting van X. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO-commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESOrichtlijnen) wordt het arm’s-lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats in lijn met artikel 7 van het OESO- modelverdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te 20251209 APA 000002worden onder toepassing van artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022, geeft de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE-Report.
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde transactie zijn de functies van zowel X en Z als de vaste inrichtingen als entrepreneurial aan te duiden.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de activiteiten van X en Z alsmede voor de vaste inrichtingen een CUP aanwezig is. Een andere traditionele methode is de profit- splitmethode die uitgaat van de verdeling van de winst in vooraf bepaalde verhoudingen. Toepassing van een profit-split is passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X en Z en de vaste inrichtingen.
4. Beide landen zijn overeengekomen dat, gegeven de gelijke toerekening van winsten aan de respectievelijke vaste inrichtingen, beide landen zullen afzien van het toerekenen van winsten aan de vaste inrichting in hun eigen land. Daardoor zal de winst van de vaste inrichting alleen in het land van het hoofdhuis zelf worden verantwoord waarbij er geen aftrek elders belast zal worden geclaimd. Omdat beide landen dat doen zal nationaal gezien de totale verantwoorde winst de te verantwoorden at arm’s-length winst zijn.
Conclusie
De bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen dat, gegeven de gelijke toerekening van winsten aan de respectievelijke vaste inrichtingen, beide landen zullen afzien van het toerekenen van winsten aan de vaste inrichting in hun eigen land. Daardoor zal de winst die feitelijk toerekenbaar is aan de vaste inrichting in land B, door X worden verantwoord waarbij er geen aftrek elders belast zal worden geclaimd. Deze overeenstemming is vervolgens uitgewerkt en geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst tussen de Belastingdienst en X met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.