20251202 IBOX 000007
Samenvatting
Aanleiding
X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox over de periode 1 september 2021 tot en met 31 augustus 2028, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 31 augustus 2021. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met het boekjaar dat eindigt op 31 augustus 2023.
Feiten
X is een agrarische onderneming met [1 – 10] personeelsleden in Nederland, met een jaarlijkse omzet van [< € 1 miljoen]. Deze omzet wordt behaald met eigen producten waarin technologie is verwerkt die is ontwikkeld door X. X verricht transacties met buitenlandse groepsvennootschappen (met een (in-)directe verbondenheid groter dan 25%). X is eigenaar van de door haar zelf voortgebrachte immateriële activa. X heeft een entrepreneursrol met als bijbehorende functies (strategische) Marketing & Sales, Corporate Excellence en Research & Development. In dat kader beschikt X over een R&D-afdeling en brengt jaarlijks immateriële activa voort waarvoor S&O-verklaringen worden verkregen met over de periode 2020 tot en met 2024 gemiddeld [< 5.000] toegekende en gerealiseerde S&O-uren per jaar. Bij de S&O-activiteiten zijn over diezelfde periode gemiddeld [1 - 5] R&D-medewerkers betrokken. Daarnaast heeft X over de periode 2020 tot en met 2024 gemiddeld jaarlijks [< € 0,5 miljoen] uitgegeven aan R&D-werkzaamheden. De daarmee gemoeide kosten bedragen gemiddeld [> 15%] van de omzet. Voor een deel van de immateriële activa is een kwekersrecht verleend aan X. In het verzoek om vooroverleg wordt verzocht om toepassing van de per-activummethode.
Rechtskader
Het verzoek van X om toepassing van de innovatiebox ziet op de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Daarnaast wordt een verzoek gedaan om toepassing van artikel 34d, eerste lid, van de Wet Vpb (zoals dat artikel luidt met ingang van 1 juli 2021). Voorts zijn het Innovatieboxbesluit 2021 en het Innovatieboxbesluit 2025, hierna (gezamenlijk) te noemen “besluit innovatiebox”, het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, paragraaf 3 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Regeling laagbelastende staten en niet- coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) aan de orde. 20251202 IBOX 000007
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of de transactie(s).
2. De door X gevraagde zekerheid vooraf heeft geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. X kwalificeert als een kleinere belastingplichtige als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, van de Wet Vpb, omdat gedurende het boekjaar 2023/2024 en de vier voorafgaande boekjaren tezamen de groep (waar X gedurende die boekjaren deel van uitmaakte) een netto-omzet als bedoeld in artikel 12ba, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb, heeft behaald die lager is dan € 250.000.000 en over dezelfde periode voordelen uit kwalificerende immateriële activa heeft behaald van minder dan € 37.500.
000.
4. X heeft de economische eigendom van één of meer zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa als bedoeld in artikel 12b van de Wet Vpb. Deze kwalificerende immateriële activa zijn voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor één of meer S&O-verklaringen zijn afgegeven aan X. X heeft voorts de economische eigendom van voor 1 januari 2017 zelf voortgebrachte immateriële activa. De voordelen uit deze immateriële activa kunnen onder de werking van de Innovatiebox gebracht worden omdat wordt voldaan aan artikel 34d, eerste lid (zoals dat artikel luidt met ingang van 1 juli 2021) van de Wet Vpb.
5. Door X is op het laagst mogelijke aggregatieniveau en op de meest passende wijze bepaald wat de met de kwalificerende immateriële activa samenhangende voordelen zijn. Het aggregatieniveau is daarbij vastgesteld op de fiscale operationele winst (EBIT) van de individuele kwalificerende activa.
6. De vaststelling van de kwalificerende voordelen is ontleend aan het gedachtegoed van de verrekenprijzen en meer in het bijzonder aan een functionele analyse op hoofdlijnen en is door de Belastingdienst beoordeeld op basis van door de belastingplichtige (desgevraagd) verstrekte informatie.
7. Bij de bepaling van de kwalificerende voordelen is het verzoek van X gevolgd om – in lijn met paragraaf 4.6 van het besluit innovatiebox – de per-activummethode te hanteren en de fiscale EBIT van de individuele kwalificerende activa als startpunt te nemen waarbij rekening wordt gehouden met voortbrengingskosten.
8. Deze fiscale EBIT-bijdrage van de activa wordt vervolgens gealloceerd op basis van een relatieve weging van de onderkende kernfuncties. 20251202 IBOX 000007In de analyse naar het belang van de R&D-functie is meegewogen dat sprake is van unieke ontwikkelde agrarische producten hetgeen blijkt uit de verleende kwekersrechten, maar ook uit het verband tussen de technologie als bepalende factor voor de winstgevendheid van de onderneming.
9. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat een gedeelte van [46% – 60%] van de operationele winst inzake de immateriële activa door X wordt toegerekend aan artikel 12b van de Wet Vpb. De overige operationele winst van deze activa is toerekenbaar aan de kernfuncties (strategische) Marketing & Sales en Corporate Excellence, en wordt belast tegen het reguliere tarief.
10. Er is geen sprake van uitbestede R&D-werkzaamheden als bedoeld in artikel 12bb van de Wet Vpb. Er is voorts geen sprake van gekochte immateriële activa.
Conclusie
De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2028, en is van overeenkomstige toepassing in de gebroken boekjaren 2021/2022 en 2022/2023, waarvoor de aangiften vennootschapsbelasting al zijn ingediend.