rul-20251125-atr-000007

20251125 ATR 000007

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, of sprake is van een omgekeerd hybride lichaam en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. X behoort tot een Nederlands concern met een hoofdkantoor in Nederland, dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers. De commanditaire vennoot van X, A, is opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland B). De beherend vennoot van X is een besloten vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en ook feitelijk in Nederland gevestigd. Het kapitaal van X zal worden gebruikt te beleggen in portfoliovennootschappen naast de actieve fondsen van het concern. Er worden geen activiteiten uitgeoefend in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen. Er is derhalve geen sprake van het anderszins aanwenden van gelden. Deelname in X vindt plaats via bewijzen van deelgerechtigdheid. In de overeenkomst is bepaald dat de bewijzen van deelgerechtigdheid in X alleen kunnen worden vervreemd aan X zelf. Mogelijk kwalificeert X op grond van het fiscale recht van verdragsland B als niet transparant. X zou om deze reden aangemerkt kunnen worden als omgekeerd hybride lichaam. X kwalificeert als alternatieve beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4, vijfde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van de commanditaire vennootschap. Relevant hierbij is de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, artikel 2, vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) en het Fondsenbesluit van 27 november 2024. Tevens verzoekt men om te bevestigen dat X geen omgekeerd hybride lichaam is als bedoeld in artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid van de Wet Vpb. Relevant hierbij is het standpunt van 23 mei 2024 van de Kennisgroep Belastingplicht & Kwalificatie rechtsvormen, KG:211:2024:9. 20251125 ATR 000007Ten slotte ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat gelet op artikel 17, derde lid, onder a juncto artikel 17a, onderdeel b van de Wet Vpb de niet in Nederland gevestigde commanditaire vennoot (A) van X niet beschikt over een vaste inrichting in Nederland. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties. Evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Beoordeeld is of X als transparant kan worden aangemerkt.
4. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, transparant.
5. Voor de kwalificatie van X is verder relevant dat in de wettelijke definitie van het fonds voor gemene rekening in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb vijf vereisten zijn opgenomen. Voor wat betreft de definitie van het transparante fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB gelden er drie vereisten. Eén van de vereisten om te kwalificeren als een fonds voor gemene rekening is dat sprake moet zijn van bewijzen van deelgerechtigdheid die ‘verhandelbaar’ zijn. Zoals in de feiten is opgemerkt, is in het gegeven geval geen sprake van ‘verhandelbaarheid’ in de zin van onderdeel 5.1 van het Fondsenbesluit. Dit betekent dat X niet heeft te gelden als een fonds voor gemene rekening. Aan de drie vereisten (een (i) afgescheiden vermogen dat (ii) belegt voor (iii) gemene rekening) om aangemerkt te worden als transparant fonds in de zin van artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB wordt wel voldaan
6. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat X voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet wordt aangemerkt als een transparant fonds.
7. Vervolgens is gekeken naar artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid van de Wet Vpb om vast te stellen of X kwalificeert als een omgekeerd hybride lichaam. Op grond van deze bepaling wordt onder een omgekeerd hybride lichaam niet verstaan, kort gezegd, een samenwerkingsverband dat belegt in effecten, een gediversifieerde portefeuille aanhoudt en dat kwalificeert als een instelling voor collectieve belegging in effecten of een alternatieve beleggingsinstelling.
8. X is een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van artikel 2, twaalfde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Op grond hiervan kwalificeert X niet als een omgekeerd hybride lichaam 20251125 ATR 000007in de zin van artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.
9. Als laatste is gekeken of de participanten van X mogelijk buitenlands belastingplichtig kunnen zijn door middel van een (fictieve) vaste inrichting in Nederland. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a vijfde en achtste lid van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ verstaan het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat (i) geldt voor de relevante bepalingen van het (eventueel) toepasselijke belastingverdrag of (ii) de wettelijke invulling van artikel 3, vierde lid, onderdeel b van de Wet Vpb (indien geen belastingverdrag of regeling van toepassing is).
10. Op grond van het toepasselijke belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Als de activiteiten echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een vaste inrichting.
11. X oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen. Om deze reden drijft X geen onderneming in Nederland.
12. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de in het buitenland gevestigde deelnemer in X geen vaste inrichting heeft in Nederland met betrekking tot haar belang in X.

Conclusie

X wordt voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet aangemerkt als een transparant fonds. X kwalificeert niet als omgekeerd hybride lichaam. De in het buitenland gevestigde commanditaire vennoot in X drijft geen onderneming in Nederland door middel van een vaste inrichting met betrekking tot haar belang in X. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.