20251104 ATR 000009
Samenvatting
Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf ten aanzien van de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X is een coöperatie opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern met een hoofdkantoor in Nederland dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [301 – 500] werknemers. X is de tophoudster van de groep en actief in de aansturing van het concern. Y1, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A), houdt direct nagenoeg alle lidmaatschapsrechten in X. De overige lidmaatschapsrechten in X worden gehouden door Y2. Y1 houdt alle aandelen in Y2. Y2 is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland A. Y1 wordt op haar beurt hoofdzakelijk gehouden door verschillende vennootschappen en entiteiten vergelijkbaar met een commanditaire vennootschap, allen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland A. Deze entiteiten zijn onderdeel van een investeringsplatform met het doel om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen met kapitaal ingelegd door de achterliggende participanten. Op het niveau van de entiteiten komen arbeid en kapitaal samen. De hiervoor bedoelde vennootschappen en entiteiten, die een rechtsvorm hebben vergelijkbaar met een commanditaire vennootschap, zijn naar de fiscale maatstaven van verdragsland A transparant. Voor doeleinden van dit verzoek wordt er vanuit gegaan dat de entiteiten die vergelijkbaar zijn met een commanditaire vennootschap, naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant zijn. Geen van de participanten van Y1 en Y2 houdt zelfstandig bezien een indirect belang in X waarmee een zodanige invloed op de besluiten in X kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald. De achterliggende participanten van Y1 en Y2 hebben (indirect) relatief kleine belangen in deze twee vennootschappen. Verdragsland A is geen laagbelastende jurisdictie. Y1 en Y2 hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Y1 en Y2 worden voor fiscale doeleinden van verdragsland A aangemerkt als transparante entiteiten en voor Nederlandse fiscale doeleinden aangemerkt als niet-transparant. Y1 en Y2 zijn dus hybride entiteiten. Y1 en Y2 zijn rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339). De rechtsvormen van Y1 en Y2 zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse 20251104 ATR 000009kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Rechtskader
Er wordt om zekerheid vooraf gevraagd over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021, zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd door Y1 en Y2 voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van het belang in X. In dit kader moet worden bepaald of er sprake is van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB). Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet BB. Er is eerst gekeken naar het begrippenkader van artikel 1.2 van de Wet BB. Y1 en Y2 houden tezamen alle lidmaatschapsrechten in X, de inhoudingsplichtige, en kwalificeren daarmee als voordeelgerechtigden voor de toepassing van de Wet BB. Y1 houdt een kwalificerend belang in X en is daarmee gelieerd aan X. Y2 houdt slechts een minderheidsbelang in X. Volgens het begrippenkader is echter ook sprake van gelieerdheid indien een derde onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft, terwijl die derde tevens onmiddellijk of middellijk een kwalificerend belang heeft in de voordeelgerechtigde. Middels het belang van Y1 in zowel Y2 als in X, voldoet Y2 hiermee ook aan de definitie van gelieerdheid. Daarmee houden zowel Y1 als Y2 een kwalificerend belang in de zin van artikel 1.2 van de Wet BB.
4. Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 20251104 ATR
0000095. Zoals in de feiten opgenomen is verdragsland A geen laagbelastende jurisdictie. Omdat Y1 en Y2 niet zijn gevestigd in een laagbelastende jurisdictie, zijn Y1 en Y2 niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB.
6. Y1 en Y2 hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en zijn derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.
7. Vervolgens is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is ten aanzien van Y1 en Y
2. Zoals in de feiten is opgemerkt worden Y1 en Y2 voor fiscale doeleinden van verdragsland A aangemerkt als transparante entiteiten. Dat betekent dat Y1 en Y2 niet volgens de fiscale regelgeving van een staat in die staat zijn gevestigd. Om deze reden blijft toepassing van de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB achterwege.
8. Y1 en Y2 worden voor fiscale doeleinden van verdragsland A aangemerkt als transparante entiteiten en worden aldaar niet behandeld als de gerechtigden tot de respectievelijke voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belang in X. Y1 en Y2 zouden derhalve belastingplichtig kunnen zijn op basis van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB, tenzij de uitzondering van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB van toepassing is. Op grond van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB dient vastgesteld te worden of er een achterliggende gerechtigde is die samen met een of meer andere lichamen een kwalificerende eenheid vormt. Vervolgens dient getoetst te worden, indien sprake is van een achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang, of de achterliggende gerechtigde die wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen bronbelasting zou zijn verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d zonder tussenkomst van in dit geval Y1 en Y
2. Daarnaast kan de bronbelasting ook achterwege blijven als er geen achterliggende gerechtigde is die een kwalificerend belang heeft in Y1 of Y
2.
9. In lijn met artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB is beoordeeld of er op basis van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB sprake is van een kwalificerende eenheid. Van een kwalificerende eenheid is sprake als lichamen gezamenlijk handelen met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een van die lichamen te ontgaan. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een kwalificerende eenheid slechts geconstateerd wordt als er sprake is van een misbruiksituatie. Het gaat daarbij om de situatie waarbij investeringen in Nederland (mede) zijn vormgegeven door middel van een constructie om bronbelastingheffing te ontwijken.
10. Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden is aannemelijk gemaakt dat er in het voorliggende geval geen sprake is van een misbruiksituatie. Het gezamenlijk handelen van de participanten in Y1 en Y2 heeft niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een van de leden of achterliggende participanten te ontgaan. Hierbij zijn alle omstandigheden van het voorliggende geval meegewogen. Er is daarom geen sprake van een kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB. Dat betekent dat gekeken dient te worden of sprake is van een achterliggende gerechtigde die een kwalificerend belang heeft in Y1 of Y
2. Dat is in het gegeven geval niet aan de orde. Dat betekent dat artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB niet van toepassing is.
Conclusie
20251104 ATR 000009 Y1 en Y2 zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X aan respectievelijk Y1 en Y2 op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.