20251028 APA 000005
Samenvatting
Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en hoofdkantoor van de Z-groep met [1 – 10] personeelsleden in Nederland. De Z-groep is een internationaal opererende groep in de industriële sector. De Z-groep houdt zich hoofdzakelijk bezig met de verkoop van producten aan klanten voornamelijk in Europa. X heeft vaste inrichtingen binnen en buiten de Europese Unie (EU) en heeft een dochtermaatschappij buiten de EU. Y is een gelieerde vennootschap gevestigd in de EU die binnen de groep zelfstandig een eigen markt bedient. X (hoofdhuis) verricht de belangrijkste kernfuncties van de groep zoals strategisch management, inkoop van producten en het bepalen van de verkoop- en marketingstrategie. X (hoofdhuis) bezit immateriële activa ten aanzien van producten en heeft daarnaast immateriële activa ten aanzien van producten in licentie. X (hoofdhuis) draagt de belangrijkste ondernemersrisico’s en functioneert als de principaal binnen de groep. De vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij verrichten verkoopactiviteiten. De vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij identificeren lokale marktkansen, verzamelen lokale marktinformatie, onderhouden contact met potentiële klanten, introduceren nieuwe producten aan bestaande klanten en verkopen de producten (waarbij de dochtermaatschappij de producten eerst inkoopt van X (hoofdhuis) en vervolgens doorverkoopt aan de klant). Deze activiteiten worden uitgevoerd onder aansturing en regie van X (hoofdhuis). X (hoofdhuis) bepaalt de productstrategieën, verkoop- en marketingstrategieën, stelt de verkoopprijzen vast en prioriteert klanten. De vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij bezitten geen waardevolle activa en dragen beperkte risico’s, waarbij de vaste inrichtingen – in tegenstelling tot de dochtermaatschappij – geen voorraad- en debiteurenrisico dragen. Daarnaast levert X (hoofdhuis) ondersteunende diensten aan Y. Deze diensten bestaan uit boekhouding, personeelszaken, juridische zaken en IT ondersteuning. Tevens levert Y ondersteunende diensten aan X (hoofdhuis). Y bestelt op verzoek en specificaties van X (hoofdhuis) producten bij derde leveranciers waarmee Y contacten onderhoudt. De zekerheid vooraf heeft betrekking op de arm’s-lengthbeloning voor de verkoopactiviteiten die worden verricht door de vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij. Daarnaast ziet de zekerheid vooraf op de ondersteunende diensten die door X (hoofdhuis) en Y aan elkaar worden geleverd.
Rechtskader
20251028 APA 000005Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke winstallocatie aan de vaste inrichting van X. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats in lijn met artikel 7 van het OESO- modelverdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden onder toepassing van artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022, geeft de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE- Report.
Overwegingen
1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. Het uitgangspunt bij de winstallocatie in het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 is de Authorised OECD Approach (AOA). Deze benadering houdt in dat aan een vaste inrichting de winst toegerekend dient te worden die door de vaste inrichting zou zijn behaald indien zij een afzonderlijk ongelieerd lichaam zou zijn geweest met vergelijkbare functies, risico’s en activa, handelend onder dezelfde of overeenkomstige omstandigheden. Er is geconstateerd dat de activa en risico’s alsmede het vermogen zijn gealloceerd aan de vaste inrichting in lijn met de uitkomst van de functionele analyse.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van partijen te worden meegewogen. Binnen de gelieerde (fictieve) transactie zijn de functies van de vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij in vergelijking met die van X (hoofdhuis) als uitvoerend te beschouwen. De vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij kunnen daarom worden beschouwd als de minst complexe partij in de gelieerde (fictieve) transactie en zijn derhalve aangemerkt als tested party. 20251028 APA
0000054. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s- lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de verkoopactiviteiten van de vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van de kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In dit geval is de omzet gekozen als maatstaf omdat de omzet de relevante indicator is voor de waarde van de uitgeoefende verkoopfuncties, gebruikte activa en gedragen risico’s door de vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij.
5. De bij het verzoek gevoegde benchmark studies zijn beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van de vaste inrichtingen en de dochtermaatschappij.
6. X heeft aannemelijk gemaakt dat de ondersteunende activiteiten van X (hoofdhuis) en Y op basis van hun aard, relatieve omvang en toegevoegde waarde niet behoren tot de primaire bedrijfsprocessen van de groep en dat deze activiteiten niet meer dan marginaal waarde toevoegen aan de primaire bedrijfsprocessen van de groep. In overeenstemming met paragraaf 6.3 van het Verrekenprijsbesluit 2022 en zoals ook beschreven in paragrafen 7.43 tot en met 7.65 van de OESO-richtlijnen is de vereenvoudigde methode voor diensten met beperkte toegevoegde waarde in casu passend bevonden.
Conclusie
Partijen hebben vastgesteld dat voor de verkoopactiviteiten die vaste inrichtingen verrichten ten behoeve van X (hoofdhuis) een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm’s-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,11% bedraagt en de upper quartile 4,20%. In de vaststellingsovereenkomst is een punt nabij de mediaan gehanteerd. Partijen hebben vastgesteld dat voor de verkoopactiviteiten die de dochtermaatschappij verricht ten behoeve van X (hoofdhuis) een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de omzet at arm’s-length is. Het gehanteerde percentage valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde partijen waarvan de lower quartile 1,20% bedraagt en de upper quartile 4,45%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingovereenkomst gehanteerd. Partijen hebben vastgesteld dat voor de ondersteunende diensten verleend door X (hoofdhuis) en Y een transactional net margin uitgedrukt in een percentage van de operationele kosten at arm’s- length is. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen is 5%. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.