rul-20251014-atr-000002

20251014 ATR 000002

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting van toepassing is. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. Y, de directe aandeelhouder van X, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een staat binnen de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). De aandelen in Y worden gehouden door een natuurlijk persoon. Tijdens de behandeling van het verzoek is door de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen die zien op de toepassing van de inhoudingsvrijstelling. Belastingplichtige heeft vervolgens een afweging gemaakt en het verzoek ingetrokken.

Rechtskader

X verzoekt om zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van X aan Y. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Op basis van de aangeleverde informatie leek het verzoek op voorhand te voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.
2. Tijdens de behandeling van het verzoek zijn voor de casus relevante arresten gewezen door de Hoge Raad. Door de verzoeker is daarop besloten het verzoek om vooroverleg in te trekken. 20251014 ATR
0000023. Door de intrekking is niet definitief vastgesteld of het verzoek voldeed aan de voorwaarden van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Ook is daardoor niet toegekomen aan afronding van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Conclusie

Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.