20251014 APA 000003
Samenvatting
Aanleiding
X heeft een verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de periode van 1 maart 2025 tot en met 30 september 2029.
Feiten
X is een vennootschap gevestigd in Nederland. X is onderdeel van een multinationale groep die actief is in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [501 – 1.000] werknemers. X heeft een vaste inrichting buiten de Europese Unie (in land A). X (hoofdhuis) functioneert als principaal voor productgroep A. X (hoofdhuis) is verantwoordelijk voor het verkopen van deze producten aan klanten in Europa. De vaste inrichting functioneert als principaal voor productgroep B. De vaste inrichting is verantwoordelijk voor het verkopen van deze producten aan klanten in Europa. X (hoofdhuis) en de vaste inrichting zullen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het verkopen van elkaars producten. Daarnaast zullen X (hoofdhuis) en de vaste inrichting gezamenlijk voor beide productgroepen verantwoordelijk zijn voor het aansturen en optimaliseren van productieactiviteiten, inkopen van grondstoffen, aansturen van de supply chain organisatie en de gelieerde verkoopmaatschappijen. Dit leidt ertoe dat de commerciële en operationele functies van X (hoofdhuis) en de vaste inrichting in hoge mate onderling zijn geïntegreerd. De gevraagde zekerheid vooraf ziet op de vaststelling van een zakelijke winstallocatie tussen X (hoofdhuis) en de vaste inrichting.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke winstallocatie aan de vaste inrichting van X. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het Verrekenprijsbesluit 2022. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). 20251014 APA 000003De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats in lijn met artikel 7 van het OESO- modelverdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden onder toepassing van artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022, geeft de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE- Report.
Overwegingen
1. X (hoofdhuis) oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. Het uitgangspunt bij de winstallocatie in het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 is de Authorised OECD Approach (AOA). Deze benadering houdt in dat aan een vaste inrichting de winst toegerekend dient te worden die door de vaste inrichting zou zijn behaald indien zij een afzonderlijk ongelieerd lichaam zou zijn geweest met vergelijkbare functies, risico’s en activa, handelend onder dezelfde of overeenkomstige omstandigheden. Er is geconstateerd dat de activa en risico’s alsmede het vermogen zijn gealloceerd aan de vaste inrichting in lijn met de uitkomst van de functionele analyse.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s-lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de activiteiten van X (hoofdhuis) of van de vaste inrichting een CUP aanwezig is. De OESO-richtlijnen beschrijven dat de transactional profit split methode passend is wanneer beide partijen unieke en waardevolle contributies leveren of betrokken zijn bij geïntegreerde ondernemingsactiviteiten. De residual profit split methode beloont eerst routinematige functies die zijn onderkend middels een eenzijdige verrekenprijsmethode en verdeelt daarna de overgebleven winst.
4. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat X (hoofdhuis) en de vaste inrichting binnen de bedrijfsprocessen beide waardevolle en unieke activiteiten verrichten en dat deze activiteiten in hoge mate onderling geïntegreerd zijn. De residual profit split methode is daarom een passende methode om de winstallocatie tussen X (hoofdhuis) en de vaste inrichting vast te stellen.
5. Zoals ook beschreven in paragraaf 2.150 van de OESO-richtlijnen is een contributieanalyse uitgevoerd om de verdeling van de restwinst (of verlies) tussen X (hoofdhuis) en de vaste inrichting te bepalen. Op basis van een weging van de relatieve waarde van de geleverde bijdragen door X (hoofdhuis) en de vaste inrichting is een profit split percentage bepaald. De bij het verzoek gevoegde contributieanalyse is passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X (hoofdhuis) en de vaste inrichting. 20251014 APA 000003
Conclusie
Partijen hebben vastgesteld dat voor de winstallocatie tussen X (hoofdhuis) en de vaste inrichting de toepassing van de residual profit split methode at arm’s-length is. Partijen hebben vastgesteld dat de restwinst (of verlies) tussen X (hoofdhuis) en de vaste inrichting wordt verdeeld overeenkomstig de uitkomst van de contributieanalyse. Dit resulteert in een profit split percentage van [> 60%] voor het hoofdhuis van X en [< 40%] voor de vaste inrichting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 maart 2025 tot en met 30 september 2029.