rul-20251007-apa-000003

20251007 APA 000003

Samenvatting

Aanleiding

X heeft een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te krijgen over verrekenprijzen voor de boekjaren 2021 tot en met 2025. Er is tevens verzocht om de overeen te komen fiscale behandeling ook van toepassing te laten zijn op de boekjaren 2014 tot en met 2020. De aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren tot en met 2023 zijn reeds ingediend.

Feiten

X is een in Nederland gevestigde vennootschap en is onderdeel van de Y-groep waarvan de moedermaatschappij is gevestigd buiten de Europese Unie (EU). Z is de vaste inrichting van X in land A (buiten de EU). In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers. De Y-groep is actief in de industriële sector. Y, een vennootschap gevestigd in land B (buiten de EU), verricht de belangrijkste kernfuncties van de groep zoals onderzoek en ontwikkeling en is eigenaar van de belangrijkste immateriële activa van de groep. Voorts liggen de belangrijkste ondernemersrisico’s bij Y en functioneert Y als de principaal binnen de groep. Y heeft een contract afgesloten met X voor de distributie van producten in een bepaalde regio. Z is de vaste inrichting van X die de verkoopactiviteiten uitvoert ten behoeve van Y in die bepaalde regio. Z distribueert de producten onder aansturing en regie van Y. Z is geen eigenaar van waardevolle immateriële activa en draagt beperkte risico’s. X voert diverse ondersteunende activiteiten uit ten behoeve van Z’s distributieactiviteiten in een bepaalde regio. De activiteiten van X bestaan onder andere uit ondersteuning op het gebied van administratie, financiën, inkoop, juridische aangelegenheden, IT, personeelsbeheer, supply chain en opslag. De gevraagde zekerheid ziet op de winstallocatie tussen X (hoofdhuis) en Z (de vaste inrichting) waaronder begrepen de beloning van X voor ondersteunende activiteiten alsmede de aan Z te alloceren distributiebeloning. Met de bevoegde autoriteiten van land B is een bilaterale overeenkomst overeengekomen inzake de zakelijke distributiebeloning tussen de vennootschappen X en Y.

Rechtskader

Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vaststelling van een zakelijke winstallocatie aan Z, de vaste inrichting van X. Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en in het OESO-modelverdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing in artikel 9. In het OESO- commentaar op artikel 9 van het OESO-modelverdrag en de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen) wordt het arm’s- 20251007 APA 000003lengthbeginsel van een nadere invulling voorzien. Relevant in dit kader is het besluit van 22 april 2018, nr. 2018-6865 en/of het Verrekenprijsbesluit 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen “verrekenprijsbesluit”. Voorts zijn relevant het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter, en de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). De winstallocatie aan vaste inrichtingen vindt plaats in lijn met artikel 7 van het OESO- modelverdrag. In juli 2008 is het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ (PE-Report) gepubliceerd, dat in 2010 is aangepast aan een eveneens in 2010 gepubliceerd nieuw artikel 7 OESO-modelverdrag. In dit rapport wordt beschreven hoe winsten aan vaste inrichtingen toegerekend dienen te worden onder toepassing van artikel 7 van het OESO-modelverdrag. In het besluit van 15 januari 2011, nr. IFZ2010/457M en/of het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022, hierna (gezamenlijk) te noemen “besluit winstallocatie vaste inrichtingen”, geeft de Staatssecretaris inzicht in zijn standpunten met betrekking tot de winstallocatie aan vaste inrichtingen en wordt bevestigd dat het Nederlandse beleid aansluit bij de conclusies van het PE-Report.

Overwegingen

1. X oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van het lichaam binnen het concern. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met gelieerde entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
2. Het uitgangspunt bij de winstallocatie in het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022 is de Authorised OECD Approach (AOA). Deze benadering houdt in dat aan een vaste inrichting de winst toegerekend dient te worden die door de vaste inrichting zou zijn behaald indien zij een afzonderlijk ongelieerd lichaam zou zijn geweest met vergelijkbare functies, risico’s en activa, handelend onder dezelfde of overeenkomstige omstandigheden. Er is geconstateerd dat de activa en risico’s alsmede het vermogen zijn gealloceerd aan de vaste inrichting in lijn met de uitkomst van de functionele analyse.
3. De OESO-richtlijnen beschrijven dat een arm’s-lengthbeloning wordt bepaald door middel van een vergelijkbaarheidsanalyse met onafhankelijke partijen. Daarbij dienen de functies, activa en gelopen risico’s van de tested party te worden meegewogen. In het geval van de gelieerde ondersteunende diensten zijn de functies van X in vergelijking met die van Z als uitvoerend te beschouwen. X kan daarom worden beschouwd als de minst complexe partij en wordt derhalve aangemerkt als tested party.
4. De OESO-richtlijnen beschrijven een beperkt aantal methoden voor het bepalen van de arm’s- lengthresultaten. Als deze aanwezig is, geeft de comparable uncontrolled price (CUP) methode de best mogelijke indicatie van de zakelijkheid van de gehanteerde prijzen. Niet is gebleken dat voor de transactie een CUP aanwezig is. Andere traditionele methoden gaan uit van de vergelijking van de bruto marges van vergelijkbare ongelieerde partijen met de tested party. De bepaling van de bruto marge is mede afhankelijk van kostenrubricering en van de vergelijkbare partijen is die onbekend. Daardoor geeft een vergelijking op het niveau van de netto operationele marges (Transactional Net Margin Method) een betrouwbaardere uitkomst. In het geval van de gelieerde ondersteunende diensten zijn de relevante kosten van X gekozen als maatstaf omdat de kosten de 20251007 APA 000003relevante indicator zijn voor de waarde van de door X in deze transactie uitgeoefende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s.
5. De bij het verzoek gevoegde benchmarkstudie is door de bevoegde autoriteiten van X en Z beoordeeld en passend bevonden bij de functies, activa en risico’s van X.

Conclusie

De bevoegde autoriteiten hebben overeenstemming bereikt over de arm’s-lengthbeloning ten aanzien van de gelieerde ondersteunende activiteiten van X ten behoeve van Z. Het percentage dat in de overeenkomst is opgenomen valt binnen een interquartile range van resultaten van ongelieerde vergelijkbare partijen waarvan de lower quartile 2,3% bedraagt en de upper quartile 10,9%. Vanwege de specifieke feiten en omstandigheden is een percentage boven de mediaan in de vaststellingovereenkomst gehanteerd. De bevoegde autoriteiten zijn ook overeengekomen dat de distributiewinst van de generale onderneming X, na aftrek van de beloning voor de gelieerde ondersteunende activiteiten van X, gealloceerd wordt aan Z. Met de bevoegde autoriteit van land B is een bilaterale overeenkomst overeengekomen met betrekking tot de zakelijkheid van de distributiebeloning van de generale onderneming X. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025. Deze overeenkomst is ook van toepassing op de boekjaren 2014 tot en met 2020 waarvoor de aangiften vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend.